(Onderwerpen: actiepotentialen, ECG, longcapaciteit, VO2, ademhaling, hartinfarcten)
1. Welke longvolumina behoort niet tot de vitale capaciteit (VC)?
a. Expiratoir reserve volume (ERV)
b. Inspiratoir reserve volume (IRV)
c. Residuale volume (RV)
d. Teugvolume (AV/TV)
2. Hoe wordt het percentage dat FEV1 van de VC bedraagt ook wel genoemd?
a. Maximal midexpiratory flow
b. Forced mid-expiratory flow
c. Maximum ademminuutcapaciteit
d. Éénsecondewaarde
3. VC: 3,22 liter, FEV1: 2,52 liter. Welke tiffeneau-waarde kun je hieruit berekenen?
a. 78,26
b. 68,26
c. 72,34
d. 62,34
4. BF = ademfrequentie: 20/min
VT = teugvolume: 600 ml
FIO2 is fractie O2 in ingeademde lucht : 0,20
FEO2 is fractie O2 in uitgeademde lucht: 0,15
Welke VO2 kun je hieruit berekenen?
a. 450 ml/min
b. 500 ml/min
c. 550 ml/min
d. 600 ml/min
5. Hoe verloopt de ademhaling bij iemand met longfibrose?
a. Inademen is moeilijker, uitademen makkelijker
b. Inademen is makkelijker, uitademen is moeilijker
c. Inademen en uitademen wordt allebei moeilijker
d. Inademen en uitademen wordt allebei makkelijker
6. Welke receptoren zijn betrokken bij de ademhaling?
a. Baroreceptoren en chemoreceptoren
b. Rekreceptoren en baroreceptoren
c. Chemoreceptoren en rekreceptoren
d. Baroreceptoren en chemoreceptoren
7. Wat betekent de T-top?
a. Depolarisatie van de atria
b. Depolarisatie van de ventrikels
c. Repolarisatie ventrikels
d. Geleiding door AV knoop
8. Welke prikkels hebben effect in de relatief refractaire periode?
a. Alleen sterke prikkels
b. Alleen zwakke prikkels
c. Geen enkele prikkel heeft effect
d. Prikkels van alle sterktes hebben effect