Kenmerkende aspecten tijdvak 2: tijd
van Grieken en Romeinen (3.000 v.C. – 500)
4. De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over
burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat
In de oudheid bestond Griekenland uit onafhankelijke stadstaten met
verschillende bestuursvormen, zoals de monarchie en aristocratie. In de 6e
eeuw v.C. ontstond in Athene de eerste democratie, waarin burgers in een
volksvergadering beslisten over het bestuur. Vanaf dezelfde eeuw ontwikkelden
Griekse filosofen een wetenschappelijke manier van denken, waarbij ze alles
met hun verstand probeerden te beredeneren.
Filosofen: Plato (idealisme), Aristoteles (zichtbare werkelijkheid) en
Socrates (tegen democratie).
Bestuursvormen : monarchie, oligarchie, aristocratie, tirannie en
democratie
5. De groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur
zich in Europa verspreidde
Met een lange reeks oorlogen breidden Romeinen hun stadstaat uit tot een
wereldrijk rondom de Middellandse Zee. Het Romeinse rijk was strak
georganiseerd (Pax Romana) en stond vanaf de 1e eeuw v.C. onder leiding van
een machtige keizer. In het rijk kwam een welvarende landbouwstedelijke
samenleving tot ontwikkeling. Er was veel handel, ook met gebieden buiten het
rijk. In de veroverde gebieden verspreidden Romeinen de Grieks-Romeinse
cultuur (romanisering); er was ook invloed van lokale culturen op de Romeinse
cultuur.
6. De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur
In de 5e en 4e eeuw v.C. ontwikkelden de Grieken hun bouwkunst en
beeldhouwkunst tot op hoog niveau. Na de verovering van Griekenland namen de
Romeinen de Griekse vormentaal over en voegden er eigen elementen aan toe
(Romeinen wilde realistisch uitbeelden). Deze Grieks-Romeinse mengcultuur
wordt klassiek genoemd, vanwege de latere navolging.
van Grieken en Romeinen (3.000 v.C. – 500)
4. De ontwikkeling van wetenschappelijk denken en het denken over
burgerschap en politiek in de Griekse stadstaat
In de oudheid bestond Griekenland uit onafhankelijke stadstaten met
verschillende bestuursvormen, zoals de monarchie en aristocratie. In de 6e
eeuw v.C. ontstond in Athene de eerste democratie, waarin burgers in een
volksvergadering beslisten over het bestuur. Vanaf dezelfde eeuw ontwikkelden
Griekse filosofen een wetenschappelijke manier van denken, waarbij ze alles
met hun verstand probeerden te beredeneren.
Filosofen: Plato (idealisme), Aristoteles (zichtbare werkelijkheid) en
Socrates (tegen democratie).
Bestuursvormen : monarchie, oligarchie, aristocratie, tirannie en
democratie
5. De groei van het Romeinse imperium waardoor de Grieks-Romeinse cultuur
zich in Europa verspreidde
Met een lange reeks oorlogen breidden Romeinen hun stadstaat uit tot een
wereldrijk rondom de Middellandse Zee. Het Romeinse rijk was strak
georganiseerd (Pax Romana) en stond vanaf de 1e eeuw v.C. onder leiding van
een machtige keizer. In het rijk kwam een welvarende landbouwstedelijke
samenleving tot ontwikkeling. Er was veel handel, ook met gebieden buiten het
rijk. In de veroverde gebieden verspreidden Romeinen de Grieks-Romeinse
cultuur (romanisering); er was ook invloed van lokale culturen op de Romeinse
cultuur.
6. De klassieke vormentaal van de Grieks-Romeinse cultuur
In de 5e en 4e eeuw v.C. ontwikkelden de Grieken hun bouwkunst en
beeldhouwkunst tot op hoog niveau. Na de verovering van Griekenland namen de
Romeinen de Griekse vormentaal over en voegden er eigen elementen aan toe
(Romeinen wilde realistisch uitbeelden). Deze Grieks-Romeinse mengcultuur
wordt klassiek genoemd, vanwege de latere navolging.