Probleem 3
DSM-V
Hoofdkenmerk posttraumatische-stressstoornis (PTSS): ontwikkeling van kenmerkende symptomen na
blootstelling aan een of meer psychotraumatische gebeurtenissen. Het klinische beeld van PTSS varieert.
Prevalentie. In VS levenslange risico op 75-jarige leeftijd 8,7%.
Ontwikkeling en beloop. PTSS kan op elke leeftijd voorkomen. Symptomen meestal binnen de eerste drie
maanden na het trauma, maar vertraging van enkele maanden of jaren mogelijk voordat er aan de criteria
wordt voldaan. ‘Met uitgestelde expressie’.
De symptomen van PTSS en het relatieve op de voorgrond staan van verschillende symptomen kunnen
diagnostisch over tijd variëren. De duur van de symptomen varieert ook. Symptomen kunnen terugkeren en
toenemen als reactie op aspecten die herinneringen aan het oorspronkelijke trauma oproepen, aanhoudende
levensstressoren, of nieuw ervaren psychotraumatische gebeurtenissen.
De klinische expressie van de herbelevingen kan gedurende de ontwikkeling variëren.
Risicofactoren.
Pretraumatische factoren: temperament, omgeving, genetica en fysiologie.
Peritraumatische factoren: omgeving.
Posttraumatische factoren: temperament, omgeving.
Gender. PTSS vaker bij vrouwen dan bij mannen. Vrouwen ondervinden PTSS langer dan mannen. Vrouwen een
grotere kans op blootstelling aan psychotraumatische gebeurtenissen.
Hoofdkenmerk acute stessstoornis: ontwikkeling van karakteristieke symptomen die aanwezig zijn gedurende
drie dagen tot één maand na blootstelling aan een of meer psychotraumatische gebeurtenissen.
Brewin, C.R., & Holmes, E.A. . (2003). Psychological theories of posttraumatic stress disorder.
Introductie
Vroege theorieën van PTSS: sociaal-cognitieve, conditionering, information-processing, en anxious
apprehension theorieën. Recentere theorieën: emotional processing theory, dual representation theory,
cognitieve theorie.
Psychologische processen en PTSS
Aandacht en PTSS. Aandachtbias vroeg in verwerking, zoals bij vertraagd kleur benoemen na
traumawoorden op Stroop test, en versnelde reactietijd op traumawoorden in een dot probe.
Vergelijkbare resultaten niet verkregen met auditieve herkenningstaak met Vietnam-veteranen. Dus
geen sterke conclusies getrokken.
Dissociatie en PTSS. Dissociatie: tijdelijke breakdown in de relatief continue, samenhangende
processen van de wereld om ons heen waarnemen, het verleden herinneren, of één identiteit hebben
die ons verleden verbindt met onze toekomst. Vaak milde dissociatieve reacties onder stress.
Dissociatieve symptomen vaakst in trauma’s: emotional numbing, derealisatie, depersonalisatie, en
‘out-of-body’ ervaringen. Gerelateerd aan de ernst van het trauma, angst voor dood, en hulpeloos
voelen. Verlaagde hartslag.
‘Peri-traumatische dissociatie’ als deze symptomen tijdens een traumatische ervaring. Goede
voorspeller van latere PTSS.
Cognitieve-affectieve reacties en PTSS. Vereiste van PTSS diagnose volgens DSM-IV: intense angst,
hulpeloosheid, of horror ervaren op het moment van het trauma. Verschillende emoties zoals
schaamte en woede soms aanwezig tijdens de meest intense momenten van het traumatische event.
Mental defeat: waargenomen verlies van autonomie, alle inspanningen om iemands identiteit als een
mens te behouden met een eigen wil opgeven in iemands eigen geest. Gaat verder dan hulpeloosheid.
Sommige emoties zijn het directe resultaat van uitkomsten, anderen afhankelijk van cognitieve
beoordeling. Gevoelens van schuld, schaamte, verdriet, verraad, vernedering, en woede begeleiden
PTSS vaak.
Hoge woede voorspelt een trager herstel van PTSS. In slachtoffers van geweldscriminaliteit voorspelt
schaamte hoe PTSS symptomen ontwikkelen.
DSM-V
Hoofdkenmerk posttraumatische-stressstoornis (PTSS): ontwikkeling van kenmerkende symptomen na
blootstelling aan een of meer psychotraumatische gebeurtenissen. Het klinische beeld van PTSS varieert.
Prevalentie. In VS levenslange risico op 75-jarige leeftijd 8,7%.
Ontwikkeling en beloop. PTSS kan op elke leeftijd voorkomen. Symptomen meestal binnen de eerste drie
maanden na het trauma, maar vertraging van enkele maanden of jaren mogelijk voordat er aan de criteria
wordt voldaan. ‘Met uitgestelde expressie’.
De symptomen van PTSS en het relatieve op de voorgrond staan van verschillende symptomen kunnen
diagnostisch over tijd variëren. De duur van de symptomen varieert ook. Symptomen kunnen terugkeren en
toenemen als reactie op aspecten die herinneringen aan het oorspronkelijke trauma oproepen, aanhoudende
levensstressoren, of nieuw ervaren psychotraumatische gebeurtenissen.
De klinische expressie van de herbelevingen kan gedurende de ontwikkeling variëren.
Risicofactoren.
Pretraumatische factoren: temperament, omgeving, genetica en fysiologie.
Peritraumatische factoren: omgeving.
Posttraumatische factoren: temperament, omgeving.
Gender. PTSS vaker bij vrouwen dan bij mannen. Vrouwen ondervinden PTSS langer dan mannen. Vrouwen een
grotere kans op blootstelling aan psychotraumatische gebeurtenissen.
Hoofdkenmerk acute stessstoornis: ontwikkeling van karakteristieke symptomen die aanwezig zijn gedurende
drie dagen tot één maand na blootstelling aan een of meer psychotraumatische gebeurtenissen.
Brewin, C.R., & Holmes, E.A. . (2003). Psychological theories of posttraumatic stress disorder.
Introductie
Vroege theorieën van PTSS: sociaal-cognitieve, conditionering, information-processing, en anxious
apprehension theorieën. Recentere theorieën: emotional processing theory, dual representation theory,
cognitieve theorie.
Psychologische processen en PTSS
Aandacht en PTSS. Aandachtbias vroeg in verwerking, zoals bij vertraagd kleur benoemen na
traumawoorden op Stroop test, en versnelde reactietijd op traumawoorden in een dot probe.
Vergelijkbare resultaten niet verkregen met auditieve herkenningstaak met Vietnam-veteranen. Dus
geen sterke conclusies getrokken.
Dissociatie en PTSS. Dissociatie: tijdelijke breakdown in de relatief continue, samenhangende
processen van de wereld om ons heen waarnemen, het verleden herinneren, of één identiteit hebben
die ons verleden verbindt met onze toekomst. Vaak milde dissociatieve reacties onder stress.
Dissociatieve symptomen vaakst in trauma’s: emotional numbing, derealisatie, depersonalisatie, en
‘out-of-body’ ervaringen. Gerelateerd aan de ernst van het trauma, angst voor dood, en hulpeloos
voelen. Verlaagde hartslag.
‘Peri-traumatische dissociatie’ als deze symptomen tijdens een traumatische ervaring. Goede
voorspeller van latere PTSS.
Cognitieve-affectieve reacties en PTSS. Vereiste van PTSS diagnose volgens DSM-IV: intense angst,
hulpeloosheid, of horror ervaren op het moment van het trauma. Verschillende emoties zoals
schaamte en woede soms aanwezig tijdens de meest intense momenten van het traumatische event.
Mental defeat: waargenomen verlies van autonomie, alle inspanningen om iemands identiteit als een
mens te behouden met een eigen wil opgeven in iemands eigen geest. Gaat verder dan hulpeloosheid.
Sommige emoties zijn het directe resultaat van uitkomsten, anderen afhankelijk van cognitieve
beoordeling. Gevoelens van schuld, schaamte, verdriet, verraad, vernedering, en woede begeleiden
PTSS vaak.
Hoge woede voorspelt een trager herstel van PTSS. In slachtoffers van geweldscriminaliteit voorspelt
schaamte hoe PTSS symptomen ontwikkelen.