Inleiding Maria Montessori was de eerste vrouwelijke arts in Italië, en zij leefde van
1870 tot 1952. Door haar werk in het ziekenhuis, kwam zij in aanraking met geestelijk
gehandicapte kinderen. Door haar interesse in hen, kwam ze in aanraking met de
Franse geleerden Itard en Séguin. Deze geleerden waren allebei bekend met het
begeleiden van zwakzinnige en doofstomme kinderen. Montessori probeerde op een
school de methode van Itard en Séguin uit, en al snel concludeerde zij dat hun
methode voor alle kinderen voordelen kon opleveren.
Door toeval kwam Montessori terecht in Kinderhuizen in Rome, een soort
kleuterscholen. Deze plekken noemde zij ‘Casa dei Bambini’ (huis van de kinderen).
Van haar werk op deze scholen maakte zij in 1909 een schriftelijk verslag,
‘De Methode’. Dit boek werd een groot succes.
Montessori maakte enkele reizen naar de VS om haar ideeën te verbreiden. Hierop
kreeg zij veel respons, maar de onderwijskundige kritiek bleef tussen de
wereldoorlogen niet uit. De ideeën over het opvoeden van jonge kinderen en
zwakzinnigen vond men te hoog gegrepen.
In 1916 vestigde Montessori zich in Barcelona, van waaruit ze leiding gaf aan een
Montessori-instituut. Er werd een internationale beweging op gang gebracht, er
kwamen internationale congressen en er ontstonden ook veel Montessori-
verenigingen.
In 1936 vluchtte Montessori door de Spaanse burgeroorlog naar Nederland. Tijdens de
Tweede Wereldoorlog verbleef ze in India, en daarna woonde ze van 1949 tot haar
dood weer in Nederland. Montessori had een eigen school in haar woonplaats Laren.
De Nederlandse Montessori Vereniging behartigt de belangen van Nederlandse
basisscholen en VO-scholen die volgens de ideeën van Montessori werken.
Uitgangspunten In het Montessori-onderwijs staan er twee vragen centraal:
1. Hoe ziet Montessori de opvoeding?
Dit kan uitgelegd worden aan de hand van 3 aspecten:
Aan het eind van de weg staat de vrije mens die mee kan helpen aan het tot
stand brengen van een betere samenleving.
Vrijheid veronderstelt de vrije mens. Tot deze zelfstandigheid moet een kind
worden opgevoed; het moet zelf leren zijn activiteiten te bepalen.
Het kind moet deze activiteiten uitvoeren in een sociale omgeving.