Leerdoel 1: Wat is nature en wat is nurture? Wat zijn de invloeden?
Van der Horst, F., Lucassen, N., Kok, R., Sentse, M., Jooren, L., & Luijk, M. (2016).
Inleiding: Wat is pedagogiek?
Traditionele gezin: vader, moeder en enkele kinderen. Onduidelijk of dit nog invloed heeft.
Moderne gezin: minder stabiliteit, het in stand blijven van partnerrelaties is niet meer
vanzelfsprekend. Dit komt door de toename in individualiteit en de afname van geborgenheid.
Nature: aanleg gedragsgenetici, antipedagogen.
Nurture: omgeving of opvoeding omgevingsdenkers.
Zowel de genen, als de omgeving (+ interactie) als de ouders hebben invloed. De invloed van
genetische aanleg is belangrijk, maar opvoeding is nodig voor de ontwikkeling.
Leenders, F. (2001). Aangeboren of aangeleerd.
Aangeboren = alle invloeden die tot en met de geboorte werkzaam zijn en het
ontwikkelingsverloop van het individu bepalen.
- Erfelijke factoren: informatie in genen (eiwit DNA) en chromosomen (streng DNA).
Genotype: geheel aan geërfd genetisch materiaal.
Fenotype: de observeerbare eigenschappen van het individu (o.a. dominante genen).
- Invloeden tijdens zwangerschap en geboorte: bv infectie, zuurstoftekort.
Visies
1. Theorieën van biologisch primaat
Veranderingen tijdens de ontwikkeling van individuen zijn endogeen van aard ze
voltrekken zich als specifiek plan dat in de genen is vastgelegd.
Piaget: stadiatheorie kinderen ontwikkelen zich volgens aanwezige biologische
voorwaarden. Zodra de rijping ver gevorderd is komt het volgende stadium. Rijping kont
door de ervaringen en activiteit van het kind met de wereld = mengvorm theorie.
Besell: een kind moet biologisch gereed zijn voordat er met succes socialisatie kan worden
begonnen. Per stadium moet een kind bepaald gedrag (mijlpalen) laten zien voordat het
gereed is.
Kritiek Besell: zorgt voor bezorgdheid en over fixatie bij niet halen normen; de normen zijn
cultuurbepaald.