Taak 1
Angststoornissen algemeen
Verschil normale/pathalogische angst:
opvallend, overdreven en aanhoudend, leidt
tot gebreken in het functioneren op sociaal en
werkgebied (marked, persistent, impairing)
Klinische beoordeling van ernst, frequentie,
persistentie en mate van beperking
Comorbiditeit: hoog, doordat verschillende angststoornissen dezelfde dimensies delen (bijv. acute/
bij voorbaat angst). Bijbehorende overtuigingen en cognities bepalen de overheersende diagnose.
Helft heeft een andere angststoornis ergens in hun leven.
- Paniekaanval: typisch voor paniekstoornis, maar kan ook voorkomen bij bijv. sociale angst of
PTSD
- Depressie en bipolair: stemmingsstoornissen gaan meestal samen met angstsymptomen.
Onderscheid zich in het geval van anhedonia en hopeloosheid. DSM 5: depression with
anxious features. Vooral bij gegeneraliseerde angst (sterk), daarnaast ook met
paniekstoornis, agorafobie en sociale angst (medium)
- Alcohol- en andere middelenmisbruik (minder dan bij depressie en middelen)
- Persoonlijkheidsstoornissen
Epidemiologie: 7.3% op ieder moment heeft 1:14 mensen een angststoornis. 1:9 in een periode
van één jaar. V2:M1, 55+ 20% meer dan 34-54. Prevalenties verschillen erg per lang, in EU en USA
neigen de prevalenties hoger dan andere gebieden ter wereld. Lifetime: specifieke fobie 6-12%,
sociale angst 10%, GAS 3-5%, paniekst 2-5%, separatieangst 2-3%, agorafobie 2%.
Age onset: Separatieangst en specifieke fobieën vooral in de kindertijd, sociale angst tijdens
adolescentie of vroege volwassenheid, paniekstoornis, agorafobie en gegeneraliseerde angst vooral
later. Zonder behandeling zijn angststoornissen meestal chronisch met veel terugval in het leven.
Risicofactoren (niet specifiek): Kindermishandeling, fysiek straffen tijdens de kindertijd, psychische
stoornissen in de geschiedenis van de ouders, lage SES, te beschermende / te strenge opvoedstijl.
Angststoornissen algemeen
Verschil normale/pathalogische angst:
opvallend, overdreven en aanhoudend, leidt
tot gebreken in het functioneren op sociaal en
werkgebied (marked, persistent, impairing)
Klinische beoordeling van ernst, frequentie,
persistentie en mate van beperking
Comorbiditeit: hoog, doordat verschillende angststoornissen dezelfde dimensies delen (bijv. acute/
bij voorbaat angst). Bijbehorende overtuigingen en cognities bepalen de overheersende diagnose.
Helft heeft een andere angststoornis ergens in hun leven.
- Paniekaanval: typisch voor paniekstoornis, maar kan ook voorkomen bij bijv. sociale angst of
PTSD
- Depressie en bipolair: stemmingsstoornissen gaan meestal samen met angstsymptomen.
Onderscheid zich in het geval van anhedonia en hopeloosheid. DSM 5: depression with
anxious features. Vooral bij gegeneraliseerde angst (sterk), daarnaast ook met
paniekstoornis, agorafobie en sociale angst (medium)
- Alcohol- en andere middelenmisbruik (minder dan bij depressie en middelen)
- Persoonlijkheidsstoornissen
Epidemiologie: 7.3% op ieder moment heeft 1:14 mensen een angststoornis. 1:9 in een periode
van één jaar. V2:M1, 55+ 20% meer dan 34-54. Prevalenties verschillen erg per lang, in EU en USA
neigen de prevalenties hoger dan andere gebieden ter wereld. Lifetime: specifieke fobie 6-12%,
sociale angst 10%, GAS 3-5%, paniekst 2-5%, separatieangst 2-3%, agorafobie 2%.
Age onset: Separatieangst en specifieke fobieën vooral in de kindertijd, sociale angst tijdens
adolescentie of vroege volwassenheid, paniekstoornis, agorafobie en gegeneraliseerde angst vooral
later. Zonder behandeling zijn angststoornissen meestal chronisch met veel terugval in het leven.
Risicofactoren (niet specifiek): Kindermishandeling, fysiek straffen tijdens de kindertijd, psychische
stoornissen in de geschiedenis van de ouders, lage SES, te beschermende / te strenge opvoedstijl.