Competentie= leerlingen hebben het gevoel dat zij de leerstof aankunnen. Dit bevordert de
motivatie. Om leerlingen zich competent te laten voelen, is het belangrijk dat de leraar
structuurondersteuning biedt.
3.1 De functie van structuurondersteuning in relatie tot competentie
Een tweede basisbehoefte is dat leerlingen zich ook competent voelen. Het gevoel dat je als
leerlingen gestelde verwachtingen kunt voldoen is een belangrijk motor achter motivatie.
Leerlingen die zich competent voelen zijn:
1. Volhardend in het uitvoeren van een activiteit
*als een leerling ervaart dat hij in staat is om aan de gestelde eisen te voldoen, krijgt hij meer
zelfvertrouwen.
*als een leerling steeds ervaart dat hij niet instaat is om tot het gewenste resultaat te leiden,
voelen ze zich incompetent of hulpeloos zelfvetrouwen gaat omlaag.
Als leraar kun je belangrijke bijdrage leveren aan het competentie gevoel van leerlingen. Dit
kan je doen door structuurondersteuning.
Structuurondersteuning= leraren maken doelstelling en verwachtingen duidelijk kenbaar
en beschrijven precies de consequenties van het wel of niet behalen van deze
doelstellingen.
Voor het structuurondersteuning is het belangrijk dat de leraar feedback geeft aan de
leerlingen. De feedback is gerelateerd aan waar de leerling staat ten opzicht van het doel dat
hij wil bereiken.
Structuurondersteuning betekent ook dat de leraar:
1. consequent is door wat afgesproken is ook uit te voeren
2. de leraar aansluit bij het niveau van de leerlingen
3. heldere procedures geeft
doordat je als leraar duidelijk maakt wat je van leerlingen verwacht, deze verwachtingen aan
sluiten bij het ontwikkelingsniveau van de leerlingen en hen helpt in hun leerproces, voelen
ze zich beter in staat een leeractiviteit uit te voeren. hierdoor groeit hun
competentiegevoel.
Het bieden van structuurondersteuning door de leraar zorgt ervoor dat leerlingen zich
competenter gaan voelen, maar het hangt ook samen met autonomie. Doordat je als leraar
duidelijk aangeeft wat je van ze verwacht, en hun hierin hulp en ondersteuning geeft. Help je
ze om te gaan met hun eigen inbreng en keuzemogelijkheden.
3.2 Complementaire basisbehoeften.
Autonomieondersteuning en structuurondersteuning zijn geen twee tegenovergestelde en
conflicterende principes. Het zijn twee complementaire basisbehoeften.
Autonomieondersteuning draagt bij aan een groter gevoel van autonomie, terwijl
structuurondersteuning zorgt voor een gevoel van competentie van leerlingen. Kenmerk van
autonomieondersteunende leeromgeving dat er aan leerlingen keuzes worden geboden.
motivatie. Om leerlingen zich competent te laten voelen, is het belangrijk dat de leraar
structuurondersteuning biedt.
3.1 De functie van structuurondersteuning in relatie tot competentie
Een tweede basisbehoefte is dat leerlingen zich ook competent voelen. Het gevoel dat je als
leerlingen gestelde verwachtingen kunt voldoen is een belangrijk motor achter motivatie.
Leerlingen die zich competent voelen zijn:
1. Volhardend in het uitvoeren van een activiteit
*als een leerling ervaart dat hij in staat is om aan de gestelde eisen te voldoen, krijgt hij meer
zelfvertrouwen.
*als een leerling steeds ervaart dat hij niet instaat is om tot het gewenste resultaat te leiden,
voelen ze zich incompetent of hulpeloos zelfvetrouwen gaat omlaag.
Als leraar kun je belangrijke bijdrage leveren aan het competentie gevoel van leerlingen. Dit
kan je doen door structuurondersteuning.
Structuurondersteuning= leraren maken doelstelling en verwachtingen duidelijk kenbaar
en beschrijven precies de consequenties van het wel of niet behalen van deze
doelstellingen.
Voor het structuurondersteuning is het belangrijk dat de leraar feedback geeft aan de
leerlingen. De feedback is gerelateerd aan waar de leerling staat ten opzicht van het doel dat
hij wil bereiken.
Structuurondersteuning betekent ook dat de leraar:
1. consequent is door wat afgesproken is ook uit te voeren
2. de leraar aansluit bij het niveau van de leerlingen
3. heldere procedures geeft
doordat je als leraar duidelijk maakt wat je van leerlingen verwacht, deze verwachtingen aan
sluiten bij het ontwikkelingsniveau van de leerlingen en hen helpt in hun leerproces, voelen
ze zich beter in staat een leeractiviteit uit te voeren. hierdoor groeit hun
competentiegevoel.
Het bieden van structuurondersteuning door de leraar zorgt ervoor dat leerlingen zich
competenter gaan voelen, maar het hangt ook samen met autonomie. Doordat je als leraar
duidelijk aangeeft wat je van ze verwacht, en hun hierin hulp en ondersteuning geeft. Help je
ze om te gaan met hun eigen inbreng en keuzemogelijkheden.
3.2 Complementaire basisbehoeften.
Autonomieondersteuning en structuurondersteuning zijn geen twee tegenovergestelde en
conflicterende principes. Het zijn twee complementaire basisbehoeften.
Autonomieondersteuning draagt bij aan een groter gevoel van autonomie, terwijl
structuurondersteuning zorgt voor een gevoel van competentie van leerlingen. Kenmerk van
autonomieondersteunende leeromgeving dat er aan leerlingen keuzes worden geboden.