1.Wat is motivatie?
Een belangrijk verschil is het verschil tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie.
Intrinsieke motivatie= is de natuurlijke neiging van leerlingen om activiteiten uit te voeren
vanwege het plezier dat bij de activiteit wordt beleefd.
Extrinsieke motivatie= is het gedrag gebaseerd op externe beloningen.
Self Determination Theory (SDT) = een motivatie theorie. Deze motivatie theorie biedt veel
aanknopingspunten om juist de intrinsieke motivatie van leerlingen aan te spreken. De sdt
heeft aan dat de leeromgeving moet voldoen aan drie psychologische basisbehoeften om de
intrinsieke motivatie van leerlingen aan te spreken.
1. Autonomie (gevoel van eigenaarschap over je gedrag)
2. Competentie (gevoel dat zij de leerstof aankunnen)
3. Relatie of sociale verbondenheid (het gevoel je verbonden te voelen met anderen)
2. de rol van de leraar in het bieden van autonomie
Autonomie geeft je het gevoel dat je je handelingen zelf kiest en dat de dingen die je doet
voor jou van waarde zijn!
Autonomieondersteuning houdt in dat leerlingen een zekere mate van
1. Keuzevrijheid wordt aangeboden
2. Er uitleg word gegeven over het belang van een activiteit
3. En dat het taalgebruik niet directief is.
Naast autonomieondersteuning is het ook belangrijk dat de leraar structuur biedt.
3.de bijdrage van de leraar aan het competentiegevoel van leerlingen
De basisbehoefte competentie leerlingen hebben het gevoel dat zij de leerstof aankunnen,
daardoor zijn ze meer gemotiveerd. Het bieden van structuurondersteuning kan hieraan
bijdragen.
Structuurondersteuning bieden wil zeggen:
1. Dat leraren hun doelstellingen en verwachtingen duidelijk kenbaar maken.
2. En goed beschrijven wat de consequenties zijn van het wel of niet behalen van de
doelstellingen.
Je kan als docent structuurondersteuning bieden door het bovenste te doen, maar ook door
hulp aan te bieden en begeleiding.
Autonomieondersteuning en structuurondersteuning zijn twee complementaire
basisbehoeften die samen zorgen voor gemotiveerde leerlingen.
4.de rol van de leraar in het zorgen voor sociale verbondenheid
De derde psychologische basisbehoefte, sociale verbondenheid of relatie.
Sociale verbondenheid= de leerling voelt zich geaccepteerd om wie hij is en dat hij ook
anderen respecteren om wie ze zijn.
Een belangrijk verschil is het verschil tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie.
Intrinsieke motivatie= is de natuurlijke neiging van leerlingen om activiteiten uit te voeren
vanwege het plezier dat bij de activiteit wordt beleefd.
Extrinsieke motivatie= is het gedrag gebaseerd op externe beloningen.
Self Determination Theory (SDT) = een motivatie theorie. Deze motivatie theorie biedt veel
aanknopingspunten om juist de intrinsieke motivatie van leerlingen aan te spreken. De sdt
heeft aan dat de leeromgeving moet voldoen aan drie psychologische basisbehoeften om de
intrinsieke motivatie van leerlingen aan te spreken.
1. Autonomie (gevoel van eigenaarschap over je gedrag)
2. Competentie (gevoel dat zij de leerstof aankunnen)
3. Relatie of sociale verbondenheid (het gevoel je verbonden te voelen met anderen)
2. de rol van de leraar in het bieden van autonomie
Autonomie geeft je het gevoel dat je je handelingen zelf kiest en dat de dingen die je doet
voor jou van waarde zijn!
Autonomieondersteuning houdt in dat leerlingen een zekere mate van
1. Keuzevrijheid wordt aangeboden
2. Er uitleg word gegeven over het belang van een activiteit
3. En dat het taalgebruik niet directief is.
Naast autonomieondersteuning is het ook belangrijk dat de leraar structuur biedt.
3.de bijdrage van de leraar aan het competentiegevoel van leerlingen
De basisbehoefte competentie leerlingen hebben het gevoel dat zij de leerstof aankunnen,
daardoor zijn ze meer gemotiveerd. Het bieden van structuurondersteuning kan hieraan
bijdragen.
Structuurondersteuning bieden wil zeggen:
1. Dat leraren hun doelstellingen en verwachtingen duidelijk kenbaar maken.
2. En goed beschrijven wat de consequenties zijn van het wel of niet behalen van de
doelstellingen.
Je kan als docent structuurondersteuning bieden door het bovenste te doen, maar ook door
hulp aan te bieden en begeleiding.
Autonomieondersteuning en structuurondersteuning zijn twee complementaire
basisbehoeften die samen zorgen voor gemotiveerde leerlingen.
4.de rol van de leraar in het zorgen voor sociale verbondenheid
De derde psychologische basisbehoefte, sociale verbondenheid of relatie.
Sociale verbondenheid= de leerling voelt zich geaccepteerd om wie hij is en dat hij ook
anderen respecteren om wie ze zijn.