KWALITATIEF ONDERZOEK
K1: Kenmerken onderzoek en theorie
Systematisch: onderzoek gaat volgens een vast patroon wat van tevoren is vastgesteld (het
volgt de empirische cyclus)
Theorievormend: wetenschappelijk onderzoek leidt tot extra theoretische kennis.
Theoretische kennis geeft verklaringen die verder gaan dan alleen de paar observaties die in
één specifieke setting zijn gedaan. Hiervoor wordt zoveel mogelijk eerder wetenschappelijk
onderzoek gebruikt.
Empirisch: er wordt in het onderzoek gebruik gemaakt van systematische waarnemingen.
Controleerbaar: andere mensen kunnen het onderzoek in principe helemaal herhalen.
Daarvoor moeten alle keuzes helder gecommuniceerd worden.
Probabilistisch: resultaten uit onderzoek kunnen nooit alle gevallen volledig verklaren. Op
een andere plek, plaats en tijd zullen de resultaten mogelijk anders zijn.
Het startpunt van veel wetenschappelijk onderzoek is een theorie. Kenmerken van een
goede theorie zijn:
- Spaarzaam: een theorie moet zo simpel mogelijk zijn om de data goed te beschrijven.
- Falsificeerbaar: het is in principe mogelijk om resultaten te vinden die de theorie
weerleggen.
K2: SPI(C)E Acroniem
Een onderzoeksvraag van een kwalitatief onderzoek kan je herkennen aan de elementen van
het SPICE acroniem
De betekenis van de letters is:
- Setting: waar, in welke context?
- Perspective: voor wie?
- Interest: wat?
- Comparison: vergeleken met wat?
- Evaluation: met welk resultaat?
Het comparison deel van het acroniem wordt niet altijd gebruikt.
K3: Selecte steekproefmethoden
Om een onderzoek uit te voeren zijn er subjecten nodig die je kan onderzoeken. Het
selecteren van subjecten noem je het trekken van de steekproef.
In de meeste onderzoeken is de populatie (iedereen waarover je iets wilt zeggen) zo groot
dat het eigenlijk onmogelijk is om iedereen in de populatie te onderzoeken. Dat is meestal