C1/Hoofdstuk 1
31. De zogeheten ‘common sense-visie op de wetenschap’ houdt
onder andere het volgende in:
Dat wetenschap leidt naar theorieën over de werkelijkheid die getoetst
worden aan de hand van feiten. Wetenschap is autonoom, neutraal,
onafhankelijk, maatschappelijk, waardevrij en niet normatief met als
uitgangspunt het systematisch testen van hypotheses.
32. De auteur bespreekt de ‘standaardopbouw’ van een
wetenschappelijk artikel. Hij doet dat, om het volgende te laten
zien:
Dat die opbouw de common sense wetenschapsopvatting alleen maar
versterkt door de mens weg te cijferen, het onderzoek als onbeïnvloed,
herhaalbaar en feitelijk neer te zetten door sober, zakelijk, eenduidig,
nauwkeurig, passief taalgebruik met vakjargon.
33. De ‘sciëntistische visie’ houdt volgens de auteur onder andere
het volgende in:
Dat wetenschappelijke kennis de enige vorm van kennis is. Andere vormen
zijn te herleiden naar de wetenschap of is de titel kennis niet waard. Alles
is wetenschappelijk te onderzoeken. (meest gekozen visie)
34. Tegenover de ‘sciëntistische visie’ stelt de auteur Freeman
Dysons ‘traditionele visie’. Volgens die ‘traditionele visie’ geldt
onder andere het volgende:
Dat er vele vormen van kennis zijn; kennis van goed & kwaad, genade &
schoonheid. Kennis van menselijke natuurlijk afgeleid van geschiedenis en
literatuur. Kennis vanuit meditatie en religie.
35. Robert Merton, zegt de auteur, probeerde de ‘ongeschreven
regels’ van de
wetenschappelijke gemeenschap in algemene normen te vangen.
Het volgende is één van die
normen:
1. Communism: wetenschap is gemeenschappelijk bezit
2. Universalism: wetenschap is vrij van persoonlijke criteria
3. Disinterestedness: persoonlijkheid en gevoelens van onderzoeker
mogen geen invloed hebben op resultaten
4. Organized scepticism: basishouding van wantrouwen tegen
wetenschappelijke resultaten. Peer reviews meest gangbaar
,C2/Hoofdstuk 3
36. Met de artistieke impressie van het leven van de
Neanderthalers (Figuur 3.1) wil de auteur onder andere het
volgende duidelijk maken:
Dat men zijn eigen denkkaders en sociale gewoontes projecteert op wat hij
of zij onderzoekt. Neanderthalers hadden geen gender-gestuurde
arbeidsverdeling, we weten niks over hun kledij, maar dit projecteren we
op hen. Onze culturele visie en normatieven hebben invloed over hoe we
over Neanderthalers denken maar dit weten we niet
37. De auteur erkent van een vakpublicatie over Neanderthalers
in het
wetenschappelijke tijdschrift Biological Reviews, dat daar de
invloed van ‘externe factoren’ niet makkelijk in is aan te wijzen.
Hij suggereert dat dat komt doordat:
Wij uitgaan van dezelfde waarden en normen. Door het overeenkomen
van de opvattingen, zijn ze moeilijk te identificeren en ter discussie te
stellen.
38. Met het voorbeeld van de studies van Lombroso (de criminele
mens) wil de auteur onder andere het volgende duidelijk maken:
Dat culturele aannames en gedeelde vooroordelen makkelijk als feiten
gepresenteerd kunnen worden.
39. De auteur bespreekt twee theorieën over de evolutie van de
mens, één van
Sherwood Washburne en één van Sarah Hrdy. Hij wil daarmee het
volgende laten zien:
Dat men’s visie op de maatschappij, diens manier van onderzoeken kan
beïnvloeden, wat tot verschillende conclusies leidt. (vrouwen – mannen).
De theorieën van onderzoekers over evolutie wordt mede bepaald door de
visie van de maatschappij van de onderzoekers.
40. Binnen de levenswetenschappen is de houding jegens
Intelligent Design veelal
afwijzend. Volgens de auteur komt dat door:
Dat intelligent design de ongeschreven regel van naturalistische
wetenschap doorbreekt, dat religie geen directe invloed op wetenschap
mag hebben.
41. De auteur beschrijft de controverse rond de vermeende
mensensoort Homo
floresiensis om daarmee het volgende te laten zien:
Dat tegenstrijdige belangen tegenovergestelde hypotheses kunnen
verdedigen vanuit hetzelfde bewijs. Hij probeert te laten zien dat externe
factoren al snel een rol spelen in verbanden zien tussen hypotheses en
bewijs.
, C3/Hoofdstuk 4:
42. De eerste benadering van een psychiatrische stoornis die de
auteur bespreekt is de medische of ‘pathofysiologische’. Bij deze
benadering past het om bijvoorbeeld te beweren:
Dat de beoordeling van zo’n stoornis niet waardegeladen is. De psychiatrie
geeft de impressie toch een hard val te zijn en niet geheel subjectief. Een
stoornis is terug te vinden in het menselijk lichaam. Door neurobiologisch
onderzoek te doen zal het beter lukken om een eenduidige definitie van
een stoornis te geven.
43. Bij het vaststellen van psychiatrische stoornissen doet zich
volgens de auteur onder andere het volgende probleem voor:
Dat het moeilijk is de scheidingslijn te vinden tussen afwijkend gedrag en
stoornis. Dit oordeel kan namelijk afhangen van waardeoordelen van de
psychiater, de invloed op de omgeving en de houding van de patiënt zelf.
44. Als het object van psychiatrisch onderzoek de psychiatrische
stoornis is, legt de auteur uit, rijst de vraag hoe je zo’n stoornis
moet definiëren en operationaliseren. Hij zegt daar onder andere
het volgende over:
Dat men geprobeerd heeft het waardeoordeel te elimineren/verminderen
uit de psychiatrie. Je ontkomt er niet aan; er spelen te veel domeinen een
rol bij de vraag wat een stoornis nou precies definieert. Wat is nu precies
een psychiatrische stoornis? Hier zijn verschillende visies op dus wordt het
moeilijk om deze definitie te reduceren tot een duidelijk begrip om
onderzoek naar te doen.