262 vragen
Hoofdstuk 1:
1. Wat is ontwikkelingspsychologie?
a) Het bestuderen van de geschiedenis van de psychologie.
b) Het analyseren van individuele persoonlijkheidskenmerken.
c) Het onderzoeken van veranderingen in gedrag en eigenschappen over de levensduur van
een persoon.
d) Het bestuderen van diergedrag.
2. Welke term verwijst naar de wetenschappelijke benadering om hypotheses over
menselijke ontwikkeling te toetsen?
a) Nature-nurturedebat
b) Cognitieve ontwikkeling
c) Menselijke ontwikkeling
d) Sociale constructie
3. Wat zijn de vier centrale thema's van onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen?
a) Natuur, cultuur, omgeving, en erfelijkheid
b) Fysieke ontwikkeling, sociale ontwikkeling, cognitieve ontwikkeling en
persoonlijkheidsontwikkeling
c) Gezondheid, onderwijs, vriendschap en familie
d) Prenatale ontwikkeling, adolescentie, volwassenheid en ouderdom
4. Welke term verwijst naar de ontwikkeling van duurzame gedragingen en eigenschappen
die individuen van elkaar onderscheiden?
a) Persoonlijkheidsontwikkeling
b) Sociaal-emotionele ontwikkeling
c) Cognitieve ontwikkeling
d) Fysieke ontwikkeling
5. Welk levensstadium omvat de periode van conceptie tot geboorte?
a) Babytijd
b) Prenatale periode
c) Peuter- en kleutertijd
d) Schooltijd
6. Wat is een cohort?
a) Een groep mensen die op dezelfde dag zijn geboren.
, b) Een idee over de realiteit dat breed geaccepteerd wordt maar afhankelijk is van de
maatschappij en cultuur.
c) Een groep mensen die rond dezelfde tijd op dezelfde plaats zijn geboren.
d) Een term voor leeftijdsgebonden gebeurtenissen in ontwikkeling.
7. Wat zijn normatieve gebeurtenissen in ontwikkeling?
a) Gebeurtenissen die zich op dezelfde manier voordoen voor de meeste mensen in een
bepaalde leeftijdsgroep.
b) Gebeurtenissen die uniek zijn voor elk individu.
c) Gebeurtenissen die zich voordoen tijdens de adolescentie.
d) Gebeurtenissen die te maken hebben met de natuurlijke omgeving.
8. Wat is plasiticiteit in de context van ontwikkeling?
a) De mate waarin een zich ontwikkelend gedragspatroon of fysieke structuur
veranderbaar is.
b) De onomkeerbare gevolgen van kritieke perioden.
c) Het proces van geleidelijke ontvouwing van voorbestemde genetische informatie.
d) Het belang van historische gebeurtenissen op ontwikkeling.
9. Wat is het nature-nurturedebat?
a) Het debat over de oorsprong van gedrag en eigenschappen, en in hoeverre deze
voortkomen uit aanleg versus opvoeding en omgeving.
b) Het debat over de invloed van sociale factoren op ontwikkeling.
c) Het debat over de invloed van biologische factoren op ontwikkeling.
d) Het debat over de invloed van vrienden op ontwikkeling.
10. Wat wordt bedoeld met "concrete verandering" in ontwikkeling?
a) Ontwikkeling die plaatsvindt in aparte stappen of stadia.
b) Geleidelijke kwantitatieve ontwikkeling waarbij prestaties op een bepaald niveau
voortvloeien uit die op de vorige niveaus.
c) Het proces van geleidelijke ontvouwing van voorbestemde genetische informatie.
d) Ontwikkeling die wordt beïnvloed door historische en leeftijdsgebonden factoren.
11. Wat is een gevoelige periode?
a) Een specifieke tijdsspanne waarin mensen extra gevoelig zijn voor bepaalde
omgevingsinvloeden.
b) Een afgebakende periode in de adolescentie.
c) Een term voor leeftijdsgebonden gebeurtenissen in ontwikkeling.
d) De periode waarin kinderen naar school gaan.
12. Welke trend wordt verwacht binnen de ontwikkelingspsychologie volgens het boek?
, a) Afname van specialisatie.
b) Meer focus op individuele verschillen.
c) Grotere nadruk op historische gebeurtenissen.
d) Groeiende aandacht voor diversiteitsvraagstukken.
Antwoorden:
1. c) Het onderzoeken van veranderingen in gedrag en eigenschappen over de levensduur
van een persoon.
2. a) Nature-nurturedebat
3. b) Fysieke ontwikkeling, sociale ontwikkeling, cognitieve ontwikkeling en
persoonlijkheidsontwikkeling
4. a) Persoonlijkheidsontwikkeling
5. b) Prenatale periode
6. c) Een groep mensen die rond dezelfde tijd op dezelfde plaats zijn geboren.
7. a) Gebeurtenissen die zich op dezelfde manier voordoen voor de meeste mensen in een
bepaalde leeftijdsgroep.
8. a) De mate waarin een zich ontwikkelend gedragspatroon of fysieke structuur
veranderbaar is.
9. a) Het debat over de oorsprong van gedrag en eigenschappen, en in hoeverre deze
voortkomen uit aanleg versus opvoeding en omgeving.
10. b) Geleidelijke kwantitatieve ontwikkeling waarbij prestaties op een bepaald niveau
voortvloeien uit die op de vorige niveaus.
11. a) Een specifieke tijdsspanne waarin mensen extra gevoelig zijn voor bepaalde
omgevingsinvloeden.
12. d) Groeiende aandacht voor diversiteitsvraagstukken.
Hoofdstuk 2:
1. Wat zijn twee belangrijke punten waarmee rekening moet worden gehouden bij het
opzetten van ontwikkelingsonderzoek?
a. Biologische factoren en sociale context
b. Sociale interaties en cognitieve processen
c. Het kunnen meten van veranderingen in de ontwikkeling en ethisch verantwoord te
werk gaan
d. Leermethoden en culturele factoren
2. Welke van de volgende perspectieven stelt dat gedrag wordt gemotiveerd door innerlijke
krachten, herinneringen en conflicten waarvan een persoon zich nauwelijks bewust is?
a. Behavioristisch perspectief
b. Cognitief perspectief
c. Psychodynamisch perspectief
d. Systemisch perspectief
3. Welke benadering binnen de psychologie benadrukt dat je moet kijken naar
waarneembaar gedrag en externe stimuli in de omgeving om de ontwikkeling van het
individu te begrijpen?