Beginselen strafrecht 2016/17 – werkgroepopdrachten week 2
Literatuur (Grondtrekken):
hoofdstuk 7: Inleiding strafprocesrecht
hoofdstuk 8: Voorbereidend onderzoek
Jurisprudentie die tentamenstof is
Hof Amsterdam 3 juni 1977, NJ 1978/601 (Hollende kleurling)
HR 12 december 1978, NJ 1979/142 (Braak bij binnentreden)
HR 2 februari 1988, NJ 1988/820 (Stormsteeg)
Jurisprudentie die geen tentamenstof is
Geen
Leerdoelen
Na het bestuderen van de tentamenstof en het volgen van het hoorcollege en de werkgroep is
student tot het volgende in staat:
Het uiteenzetten van de opbouw van het strafproces
Het vaststellen of in een concreet geval is voldaan aan de voorwaarden voor een
verdenking, zoals bedoeld in art. 27 Sv
Het vaststellen of de rechten van de verdachte in een concreet geval worden gewaarborgd
Het vaststellen welke bevoegdheidverlenende norm in een concreet geval van toepassing is
en of aan de voorwaarden van die norm is voldaan
Het vaststellen of in een concreet geval aan de voorwaarden van de Algemene wet op het
binnentreden is voldaan
Het onderscheiden van opsporing en controle en het uitleggen wat voortgezette toepassing
van bevoegdheden inhoudt
, 1. Welke van de onderstaande beweringen met betrekking tot het opsporingsonderzoek is
juist?
a) Alleen opsporingsambtenaren mogen tijdens het opsporingsonderzoek
onderzoekshandelingen verrichten.
b) Een doel van het opsporingsonderzoek is de officier van justitie in staat te stellen
een vervolgingsbeslissing te nemen.
c) Voor het starten van een opsporingsonderzoek is vereist dat de verdachte van een
strafbaar feit reeds in beeld is.
d) Alleen tijdens het opsporingsonderzoek kan bewijsmateriaal worden verzameld.
2. Leg uit waarom de onderstaande vier beweringen onjuist zijn.
1) De medewerking aan controlebevoegdheden is vrijblijvend: burgers die geen zin
hebben om bijvoorbeeld aan een blaastest mee te werken (art. 160 lid 5 WVW)
kunnen hun medewerking zonder gevolgen weigeren. In artikel 160 lid 5 WVW
staat dat bestuurder van voertuig en degene die aanstalten maakt een voertuig te
besturen verplicht zijn mee te werken aan een blaastest als dit gevraagd wordt
door een in artikel 159 onderdeel a genoemd persoon
2) Een opsporingsambtenaar die bij het uitoefenen van een controlebevoegdheid
stuit op een strafbaar feit, is nooit bevoegd met de opsporing van dat strafbare feit
verder te gaan. Als er bij een controle gestuit wordt op een strafbaar feit dan kan
de controle probleemloos overgaan in opsporing, er is dan sprake van
voortgezette toepassing van bevoegdheden
3) Opsporingsambtenaren die een controlebevoegdheid uitoefenen dienen altijd
eerst de cautie te geven voordat zij de persoon die zij controleren vragen stellen.
Controle is geen gericht onderzoek en wordt niet gedaan op basis van een
vermoeden van een strafbaar feit, er is ook geen sprake van verdenking.
4) Het uitoefenen van een controlebevoegdheid met uitsluitend een ander doel dan
waar de controlebevoegdheid voor is gegeven is weliswaar niet netjes, maar
vanuit een juridisch perspectief niet problematisch. Controlebevoegdheden
mogen niet worden misbruikt om het opsporingsonderzoek makkelijker te maken.
Als controlebevoegdheden voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor ze
bedoeld zijn is er sprake van détournement de pouvoir
3. Twee surveillerende politieagenten zien een vrouw in een auto zitten. De vrouw is via het
geopende raam van de auto in gesprek met een andere vrouw, die op een scooter zit. Als
de vrouw op de scooter de politie opmerkt, rijdt zij snel weg. De agenten lopen naar de
auto toe en één van hen vraagt de vrouw wat zij aan het doen is. Zij geeft een onduidelijk
antwoord en is erg nerveus. Daarop vraagt de agent of zij drugs bij zich heeft. De vrouw
verklaart dan dat zij 200 gram cocaïne in de auto heeft liggen. Zij wordt vervolgd op
grond van de Opiumwet. De raadsman van de verdachte stelt dat de verklaring van de
verdachte niet als bewijsmiddel mag worden gebruikt, omdat de verdachte geen cautie
heeft gekregen. Heeft dit verweer kans van slagen?
a) Nee. De vrouw in de auto was nog geen verdachte.
b) Nee. De vraag van de agent was geen vraag met betrekking tot een strafbaar feit.
c) Ja. Bij een verdenking van een drugsdelict moet altijd de cautie worden gegeven.
d) Ja. De agent moet de vrouw wel als verdachte hebben beschouwd, anders had
hij deze vraag niet gesteld.
2
Literatuur (Grondtrekken):
hoofdstuk 7: Inleiding strafprocesrecht
hoofdstuk 8: Voorbereidend onderzoek
Jurisprudentie die tentamenstof is
Hof Amsterdam 3 juni 1977, NJ 1978/601 (Hollende kleurling)
HR 12 december 1978, NJ 1979/142 (Braak bij binnentreden)
HR 2 februari 1988, NJ 1988/820 (Stormsteeg)
Jurisprudentie die geen tentamenstof is
Geen
Leerdoelen
Na het bestuderen van de tentamenstof en het volgen van het hoorcollege en de werkgroep is
student tot het volgende in staat:
Het uiteenzetten van de opbouw van het strafproces
Het vaststellen of in een concreet geval is voldaan aan de voorwaarden voor een
verdenking, zoals bedoeld in art. 27 Sv
Het vaststellen of de rechten van de verdachte in een concreet geval worden gewaarborgd
Het vaststellen welke bevoegdheidverlenende norm in een concreet geval van toepassing is
en of aan de voorwaarden van die norm is voldaan
Het vaststellen of in een concreet geval aan de voorwaarden van de Algemene wet op het
binnentreden is voldaan
Het onderscheiden van opsporing en controle en het uitleggen wat voortgezette toepassing
van bevoegdheden inhoudt
, 1. Welke van de onderstaande beweringen met betrekking tot het opsporingsonderzoek is
juist?
a) Alleen opsporingsambtenaren mogen tijdens het opsporingsonderzoek
onderzoekshandelingen verrichten.
b) Een doel van het opsporingsonderzoek is de officier van justitie in staat te stellen
een vervolgingsbeslissing te nemen.
c) Voor het starten van een opsporingsonderzoek is vereist dat de verdachte van een
strafbaar feit reeds in beeld is.
d) Alleen tijdens het opsporingsonderzoek kan bewijsmateriaal worden verzameld.
2. Leg uit waarom de onderstaande vier beweringen onjuist zijn.
1) De medewerking aan controlebevoegdheden is vrijblijvend: burgers die geen zin
hebben om bijvoorbeeld aan een blaastest mee te werken (art. 160 lid 5 WVW)
kunnen hun medewerking zonder gevolgen weigeren. In artikel 160 lid 5 WVW
staat dat bestuurder van voertuig en degene die aanstalten maakt een voertuig te
besturen verplicht zijn mee te werken aan een blaastest als dit gevraagd wordt
door een in artikel 159 onderdeel a genoemd persoon
2) Een opsporingsambtenaar die bij het uitoefenen van een controlebevoegdheid
stuit op een strafbaar feit, is nooit bevoegd met de opsporing van dat strafbare feit
verder te gaan. Als er bij een controle gestuit wordt op een strafbaar feit dan kan
de controle probleemloos overgaan in opsporing, er is dan sprake van
voortgezette toepassing van bevoegdheden
3) Opsporingsambtenaren die een controlebevoegdheid uitoefenen dienen altijd
eerst de cautie te geven voordat zij de persoon die zij controleren vragen stellen.
Controle is geen gericht onderzoek en wordt niet gedaan op basis van een
vermoeden van een strafbaar feit, er is ook geen sprake van verdenking.
4) Het uitoefenen van een controlebevoegdheid met uitsluitend een ander doel dan
waar de controlebevoegdheid voor is gegeven is weliswaar niet netjes, maar
vanuit een juridisch perspectief niet problematisch. Controlebevoegdheden
mogen niet worden misbruikt om het opsporingsonderzoek makkelijker te maken.
Als controlebevoegdheden voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor ze
bedoeld zijn is er sprake van détournement de pouvoir
3. Twee surveillerende politieagenten zien een vrouw in een auto zitten. De vrouw is via het
geopende raam van de auto in gesprek met een andere vrouw, die op een scooter zit. Als
de vrouw op de scooter de politie opmerkt, rijdt zij snel weg. De agenten lopen naar de
auto toe en één van hen vraagt de vrouw wat zij aan het doen is. Zij geeft een onduidelijk
antwoord en is erg nerveus. Daarop vraagt de agent of zij drugs bij zich heeft. De vrouw
verklaart dan dat zij 200 gram cocaïne in de auto heeft liggen. Zij wordt vervolgd op
grond van de Opiumwet. De raadsman van de verdachte stelt dat de verklaring van de
verdachte niet als bewijsmiddel mag worden gebruikt, omdat de verdachte geen cautie
heeft gekregen. Heeft dit verweer kans van slagen?
a) Nee. De vrouw in de auto was nog geen verdachte.
b) Nee. De vraag van de agent was geen vraag met betrekking tot een strafbaar feit.
c) Ja. Bij een verdenking van een drugsdelict moet altijd de cautie worden gegeven.
d) Ja. De agent moet de vrouw wel als verdachte hebben beschouwd, anders had
hij deze vraag niet gesteld.
2