Beginselen strafrecht 2016/17 - werkgroepopdrachten week 1
Literatuur (Grondtrekken):
hoofdstuk 1: Inleiding
hoofdstuk 2: Inleiding materieel strafrecht
hoofdstuk 11: Het rechterlijk beslissingsschema
Jurisprudentie die tentamenstof is
Geen
Jurisprudentie die geen tentamenstof is
HR 20 mei 1986, NJ 1987/130 (Valse sleutel)
HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796 (Mafkees)
Deze rechterlijke uitspraken zijn niet opgenomen in de arrestenbundel. Je moet deze zelf
opzoeken. Op Blackboard staat in de map ‘Werkgroepen’ een document waarin wordt
uitgelegd hoe je dat kunt doen. In dat document wordt ook uitgelegd wat de betekenis is van
de aanduidingen NJ en ECLI.
Leerdoelen
Na het bestuderen van de tentamenstof en het volgen van het hoorcollege en de werkgroep is
student tot het volgende in staat:
Het zelf opzoeken van rechterlijke uitspraken.
Het onderscheiden van materieel en formeel strafrecht.
Het onderscheiden van verschillende soorten delicten.
Het onderscheiden van bestanddelen en elementen.
Het uitleggen van de structuur van het strafbare feit.
Het uitleggen van de betekenis van het legaliteitsbeginsel.
Het uitleggen op welke wijze bestanddelen kunnen worden geïnterpreteerd.
Het toepassen van het rechterlijke beslissingsmodel.
, I Vragen over hoofdstukken 1 en 2
Opmerking vooraf:
Motiveer je antwoorden altijd! Ja of nee is nooit voldoende en geldt niet als een serieuze
voorbereiding. Geef bij multiple-choice-vragen altijd van alle antwoordalternatieven aan
waarom zij juist of onjuist zijn.
1. Wat is juist ten aanzien van artikel 138a Sr?
a) Deze strafbepaling behoort tot het bijzondere strafrecht. Onjuist, artikel staat in
Wetboek van Strafrecht dus is commuun strafrecht.
b) In deze strafbepaling wordt een overtreding strafbaar gesteld. onjuist, misdrijf
wordt strafbaar gesteld.
c) Bij de in deze bepaling strafbaar gestelde gedraging is wederrechtelijkheid een
element. OnJuist, “wederrechtelijk” is bestanddeel.
d) Voor strafbaarheid op grond van deze strafbepaling is vereist dat de dader
verwijtbaar heeft gehandeld. Juist.
2. Marcel woont in Rotterdam. Op een avond koopt hij een joint in een coffeeshop en
steekt deze in een parkje aan. Tot zijn verbazing wordt meteen daarop zijn joint in beslag
genomen door een politieagent, die zegt dat hij artikel 2:74a lid 2 van de APV 2012 van
de gemeente Rotterdam heeft overtreden. De desbetreffende bepaling luidt als volgt:
‘Het is verboden op of aan de weg, op een andere voor publiek toegankelijke plaats of in
een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de
Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken.’ (art. 3 OW ziet op softdrugs, zoals
joints en art. 2 op harddrugs, zoals cocaïne)
In de toelichting op deze bepaling door de gemeente staat:
‘Vele druggebruikers gebruiken hun (hard) drugs - of treffen daartoe voorbereidingen - in
het openbaar. Dit veroorzaakt veel gevoelens van onbehagen en onveiligheid bij het
publiek. Op basis van dit artikel kan de politie overgaan tot aanhouding van de betrokken
gebruikers of deze van bepaalde - bij hen favoriete - plekken wegsturen. Ook kan de
politie de voorwerpen waarmee de overtreding wordt gepleegd (hulpmiddelen, drugs)
strafrechtelijk in beslag nemen.’
Uiteindelijk komt de zaak voor de rechter. Daar voert de raadsman van Marcel drie
verweren:
1. Alle drugsdelicten zijn strafbaar gesteld in de Opiumwet. De gemeente mocht het
blowen dus helemaal niet strafbaar stellen. Omdat blowen in het openbaar in de
Opiumwet niet verboden is (NB: dat is correct), is Marcel niet strafbaar. Niet kansrijk,
de gemeente mag tot in zekere mate eigen regels opstellen wat betreft bijvoorbeeld
politieoptreden. De APV is niet in strijd met de wet en ook geen duplicatie dus de
APV geldt gewoon.
2. De APV van de gemeente Den Haag bevat in artikel 2:74 lid 2 een soortgelijke
bepaling, maar daarin wordt alleen artikel 2 van de Opiumwet genoemd (NB: dat is
correct). In Den Haag is het in het openbaar blowen dus niet strafbaar, maar in
Rotterdam wel. Omdat daardoor onduidelijk is wat precies waar strafbaar is, bestaat
strijd met het legaliteitsbeginsel. Niet kansrijk, door over het legaliteitsbeginsel te
2
Literatuur (Grondtrekken):
hoofdstuk 1: Inleiding
hoofdstuk 2: Inleiding materieel strafrecht
hoofdstuk 11: Het rechterlijk beslissingsschema
Jurisprudentie die tentamenstof is
Geen
Jurisprudentie die geen tentamenstof is
HR 20 mei 1986, NJ 1987/130 (Valse sleutel)
HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ9796 (Mafkees)
Deze rechterlijke uitspraken zijn niet opgenomen in de arrestenbundel. Je moet deze zelf
opzoeken. Op Blackboard staat in de map ‘Werkgroepen’ een document waarin wordt
uitgelegd hoe je dat kunt doen. In dat document wordt ook uitgelegd wat de betekenis is van
de aanduidingen NJ en ECLI.
Leerdoelen
Na het bestuderen van de tentamenstof en het volgen van het hoorcollege en de werkgroep is
student tot het volgende in staat:
Het zelf opzoeken van rechterlijke uitspraken.
Het onderscheiden van materieel en formeel strafrecht.
Het onderscheiden van verschillende soorten delicten.
Het onderscheiden van bestanddelen en elementen.
Het uitleggen van de structuur van het strafbare feit.
Het uitleggen van de betekenis van het legaliteitsbeginsel.
Het uitleggen op welke wijze bestanddelen kunnen worden geïnterpreteerd.
Het toepassen van het rechterlijke beslissingsmodel.
, I Vragen over hoofdstukken 1 en 2
Opmerking vooraf:
Motiveer je antwoorden altijd! Ja of nee is nooit voldoende en geldt niet als een serieuze
voorbereiding. Geef bij multiple-choice-vragen altijd van alle antwoordalternatieven aan
waarom zij juist of onjuist zijn.
1. Wat is juist ten aanzien van artikel 138a Sr?
a) Deze strafbepaling behoort tot het bijzondere strafrecht. Onjuist, artikel staat in
Wetboek van Strafrecht dus is commuun strafrecht.
b) In deze strafbepaling wordt een overtreding strafbaar gesteld. onjuist, misdrijf
wordt strafbaar gesteld.
c) Bij de in deze bepaling strafbaar gestelde gedraging is wederrechtelijkheid een
element. OnJuist, “wederrechtelijk” is bestanddeel.
d) Voor strafbaarheid op grond van deze strafbepaling is vereist dat de dader
verwijtbaar heeft gehandeld. Juist.
2. Marcel woont in Rotterdam. Op een avond koopt hij een joint in een coffeeshop en
steekt deze in een parkje aan. Tot zijn verbazing wordt meteen daarop zijn joint in beslag
genomen door een politieagent, die zegt dat hij artikel 2:74a lid 2 van de APV 2012 van
de gemeente Rotterdam heeft overtreden. De desbetreffende bepaling luidt als volgt:
‘Het is verboden op of aan de weg, op een andere voor publiek toegankelijke plaats of in
een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de
Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken.’ (art. 3 OW ziet op softdrugs, zoals
joints en art. 2 op harddrugs, zoals cocaïne)
In de toelichting op deze bepaling door de gemeente staat:
‘Vele druggebruikers gebruiken hun (hard) drugs - of treffen daartoe voorbereidingen - in
het openbaar. Dit veroorzaakt veel gevoelens van onbehagen en onveiligheid bij het
publiek. Op basis van dit artikel kan de politie overgaan tot aanhouding van de betrokken
gebruikers of deze van bepaalde - bij hen favoriete - plekken wegsturen. Ook kan de
politie de voorwerpen waarmee de overtreding wordt gepleegd (hulpmiddelen, drugs)
strafrechtelijk in beslag nemen.’
Uiteindelijk komt de zaak voor de rechter. Daar voert de raadsman van Marcel drie
verweren:
1. Alle drugsdelicten zijn strafbaar gesteld in de Opiumwet. De gemeente mocht het
blowen dus helemaal niet strafbaar stellen. Omdat blowen in het openbaar in de
Opiumwet niet verboden is (NB: dat is correct), is Marcel niet strafbaar. Niet kansrijk,
de gemeente mag tot in zekere mate eigen regels opstellen wat betreft bijvoorbeeld
politieoptreden. De APV is niet in strijd met de wet en ook geen duplicatie dus de
APV geldt gewoon.
2. De APV van de gemeente Den Haag bevat in artikel 2:74 lid 2 een soortgelijke
bepaling, maar daarin wordt alleen artikel 2 van de Opiumwet genoemd (NB: dat is
correct). In Den Haag is het in het openbaar blowen dus niet strafbaar, maar in
Rotterdam wel. Omdat daardoor onduidelijk is wat precies waar strafbaar is, bestaat
strijd met het legaliteitsbeginsel. Niet kansrijk, door over het legaliteitsbeginsel te
2