Digital exam no. 1 @ VU Amsterdam.
ABS = geeft de absolute waarde van een getal.
CEILING = AFRONDEN.BOVEN, rondt de absolute waarde van een getal af naar
boven op het dichtstbijzijnde gehele getal of het dichtstbijzijnde significante veelvoud.
COUNT = AANTAL, telt het aantal getallen in de argumentenlijst.
COUNTA = AANTALARG, telt het aantal niet-lege cellen in een bereik.
COUNTIF = AANTAL.ALS telt het aantal cellen die voldoen aan een criterium.
EXP = het getal e
FLOOR = AFRONDEN.BENEDEN, rondt de absolute waarde van een getal af naar
beneden.
IFERROR = ALS.FOUT, geeft een opgegeven waarde als resultaat, als een formule
een foutwaarde als resultaat heeft. Als dat niet het geval is, wordt het resultaat van
de formule weergegeven.
INT = INTEGER, rondt een getal af naar beneden op het dichtstbijzijnde gehele
getal.
LN = natuurlijke logaritme, loge
LOG = logaritme
LOG10 = log10
MAX = hoogste getal (maximumwaarde)
MIN = laagste getal (minimumwaarde)
OR = OF, geeft als resultaat WAAR als minimaal een van de argumenten waar is.
PI = π
POWER = MACHT, verheft een getal tot de macht.
ROUND = AFRONDEN, rond een getal af op het opgegeven aantal decimalen.
ROUNDDOWN = AFRONDEN.NAAR.BENEDEN, rond de absolute waarde van een
getal af naar beneden.
ROUNDUP = AFRONDEN.NAAR.BOVEN, rond de absolute waarde van een getal af
naar boven.
SQRT = WORTEL, geeft als resultaat de positieve vierkantswortel (√) van een getal.
SUM = SOM, telt de argumenten op.
TRUNC = GEHEEL, kapt een getal af tot een geheel getal door het decimale
gedeelte van het getal te verwijderen.