Wat moet je kennen?
Leerdoel 1
Behaviorisme: B.F. Skinner
- Stimulus-Respons model -> concept zien en leren wat het is, positieve respons geven.
Alle kinderen leren door te imiteren
- Wat een kind vaak hoort wordt succesvol geïmiteerd
- Frequenter horen van een taalvorm leidt tot sneller gebruik
- Wat positief wordt beloond zal beklijven, wat wordt bestraft verdwijnen
- Het kind is zelf niet actief/creatief, maar spiegel van het aanbod. Een kind kan alleen
maar leren van wat het aangeboden krijgt
Generatieve Taalkunde (mentalisme): Noam Chomsky
- Innateness Hypothesis: Kind wordt geboren met kennis van taal en moet het leren
gebruiken, meer dan alleen leren van wat het aangeboden krijgt.
- Poverty of the stimulus = spreken niet altijd correcte zinnetjes, stimulus is niet zo
ideaal dat kind daar perfect van kan leren
- Universal Grammar = aangeboren universele aspecten in alle talen die overal
voorkomen
- Principals (aangeboren regels) and Parameters = eigen taal verwerven, eigen
aangeboren principes aan of uit zetten (Null subject parameter)
- Nature – Nurture = natuur/aard of aangeleerd
Usage Based Theory: Michael Tomasello
- Taalverwerving via cognitieve en sociale leervermogen van het kind. Het is niet puur
linguïstisch.
- Intention reading skills:
Joint attention
Blik en gebaren van anderen volgen of sturen
Imitatief leren van bedoeling van anderen
- Patroonherkenning; frequentie van taalaanbod is belangrijk om patronen op te pikken
- Gestructureerde verzameling taalkundige constructies
Belangrijkste verschillen:
Skinner: Taal leren door te imiteren | Leert alleen door wat het aangeboden krijgt
Chomsky: Taal is aangeboren | Kinderen leren niet alleen van wat het aangeboden krijgt
Tomasello: Sociaal instinct is aangeboren | Taal is sociaal gebeuren | Kinderen leren van wat
volwassenen zeggen
Leerdoel 2
Fonologie: Woordvormen. (Bv: kip wordt gezegd als ‘kir’, ‘kist’, ‘kipt’ of ‘fip’)
Semantiek: Leer van betekenissen (Bv: een kip is een wit fladderend dier met een snavel)
Morfologie: Leer van kleinste betekeniseenheid van een woord (verbuigingen van woorden)
Syntaxis: Zinsleer. Woorden alleen maken nog geen hele zin, woordgroepen worden zinnen.
(Bv: In de zin ‘Hij had de bal, maar wilde hem niet afgeven’ moet je kunnen zien dat hem
verwijst naar bal)
, Pragmatiek: Taalgebruik. Wat bedoelt de spreker met de boodschap die wordt overgebracht?
Leerdoel 3
Modellen beschrijven verschillende lexicon:
- Levelt: Fonologische informatie, semantische informatie en informatie over de
argumentenstructuur
- Ellis & Young: Alleen fonologische informatie
Leerdoel 4
Taalverwerkingsmodellen geven een abstracte weergave van hoe de taal verwerkt wordt;
bevatten geen zekerheden.
Het zijn geen doelen, maar middelen om te onderzoeken waar het mis gaat in de
taalverwerking en waar je op moet behandelen.
Leerdoel 5
De student geeft aan welke klanken behoren tot het Nederlandse foneem-repertoire:
Klinkers
Ongerond ± Gerond
Klinkerhoogte en duur
Constrictieplaats
(Constrictie verticaal)
Voor Midden Achter
/i/ /y/ F uut /u/ P oet
Hoog Gespannen P iet
/ɪ/ /ɵ/ P ut /ͻ/ P ot
Mid Ongespannen P it
/e/ /Ø/ P eut /o/ P oot
Gespannen B eet
Diftong (tweeklank) /ɛi/ /œy/ B uit /au/ B out
B ijt
Ongespannen /ɛ/ /a/ P ad
Laag B ed
Gespannen /a/ daad