Arbeidsmarkt – samenvatting
Hoofdstuk 1 – Arbeid in verandering
Betekenis van arbeid: Het verrichten van taken die nut hebben voor de mensen die ze uitvoeren, voor
hun naaste omgeving en voor de maatschappij als geheel.
Vraag van arbeid = werkgever & aanbod van arbeid = werknemers
Ruime arbeidsmarkt: aanbod is groter dan vraag (werkloosheid) – Krappe arbeidsmarkt: vraag is
groter dan aanbod.
Arbeidsparticipatie
Potentiele beroepsbevolking: deel v/d bevolking dat gezien leeftijd in aanmerking komt voor
deelname aan het beroepsproces
Beroepsbevolking: deel v/d potentiele beroepsbevolking dat werkt (werkzame
beroepsbevolking) of geregistreerd werkloos is (werkloze beroepsbevolking)
Totale arbeidsparticipatie zou betekenen dat ieder lid van de bevolking van 15 tot 64 jaar betaald
werk heeft. Echter is dit een onbereikbare doelstelling.
Optimale arbeidsparticipatie = als 80% van de volwassen bevolking actief deelneemt aan de
arbeidsmarkt.
Deeltijdarbeid bevordert de flexibele arbeidsorganisatie -> interne flexibiliteit
Het nieuwe werken (HNW): Een manier van werken waarbij je niet aan een bepaalde werkplek en
aan vaste werktijden gebonden bent. Geschikt voor werken op afstand. Geeft minder mogelijkheden
voor stijlautonomie.
Ontgroening & vergrijzing
Ontgroening betekent dat er steeds minder jongeren zijn die zich aandienen op de arbeidsmarkt.
Vergrijzing betekent dat er sprake is van een toename van het aandeel ouderen in de bevolking.
Schuldencrisis – de gevolgen
Het verdwijnen van banen in de financiële sector, gevolgd door vele banen in de bouw,
industriële sector en zorg.
De banken zetten de toon voor de hele ondernemerswereld -> Ontslaggolf volgde
Verborgen werkeloosheid: mensen die het zoeken naar een baan opgegeven hebben en niet
in de werklozen statistieken verschijnen. Ook kleine zelfstandigen (zzp) die minder dan het
minimuminkomen verdienen en niet verzekerd zijn vallen hieronder.
(kans)armoede
Decentralisatie
= Het overdragen van meer verantwoordelijkheden en bevoegdheden naar lagere overheden,
bijvoorbeeld het rijk naar de gemeenten).
Participatiewet = de wet waarmee de overheid meer mensen met een arbeidsbeperking aan het
werk wil krijgen. Verantwoordelijk voor re-integratie = de gemeente
,Quotumwet: Dwingt werkgevers om banen vrij te maken voor arbeidsgehandicapten, anders volgt er
een boete.
Bonuscultuur = sommen met geld worden betaald aan bestuurders van instellingen, waarvoor geen
duidelijke prestatie wordt geleverd.
Gouden handdruk = miljoenen euro’s waarmee afscheid wordt genomen van een topfunctionaris in
een organisatie. Echter krijgt lager personeel een schrijntje mee.
Van gouden handdruk naar Balkenende norm = het salaris van een bestuurder mag het
salaris van een minister niet overstijgen.
Cultural lag = vertraging bij het aanpassen van bijvoorbeeld personeelsbeleid aan nieuwe
ontwikkelingen.
Statistische discriminatie = het beoordelen van toetreders op de arbeidsmarkt op grond van de
groepering waartoe de werknemers behoren.
Baanmobiliteit = verandering van baan naar baan (in 2008-2014 drastisch naar beneden gegaan).
We onderscheiden drie gevolgen van de hier geschetste ontwikkelingen voor de arbeidsmarkt:
beperking van de keuzemogelijkheden op de arbeidsmarkt en in het beroepsonderwijs
verzwakking van de onderhandelingspositie van aanbieders en vragers
toenemend ingrijpen van de overheid via wet- en regelgeving op het gebied van arbeid.
Flexcontracten = arbeidscontracten van bepaalde duur
Transitievergoeding = iemand die tenminste twee jaar voor bepaalde tijd in dienst is geweest, heeft
recht op een ontslagvergoeding -> transitievergoeding.
Selffulfilling prophecy = aannames die onjuist zijn maar juist worden omdat mensen ernaar gaan
handelen.
Job hopping = onzekere werkgelegenheidsverhouding met veel kortdurende contracten, weinig
specifieke trainingen en een zwakke onderhandelingspositie.
, Hoofdstuk 2 – Wat is arbeid?
Gebruikswaarde & Ruilwaarde
Gebruikswaarde = het nut van de arbeid voor degene die he verricht, voor de omgeving en voor de
maatschappij als geheel.
Ruilwaarde = de prijs van de arbeid op de markt, meestal uitgedrukt in geld.
Voorbeeld weten:
Het nut voor het individu, de omgeving en de samenleving is belangrijk in verband met de zingeving.
Mantelzorg, bijvoorbeeld, is het verrichten van zorgtaken door verwanten of vrienden binnen de
familie- en vriendenkring. Die zorg kan zowel onbetaald als betaald worden verleend, maar wordt
meestal niet met geld beloond. Thuiszorg is het uitvoeren van zorgtaken door beroepskrachten en
vindt dus altijd plaats tegen betaling. Het nut van mantelzorg is even groot als dat van thuiszorg en de
dienst kan even liefdevol worden verleend, maar de zingeving aan de arbeid, de betekenis die deze
voor de betrokkene heeft, is verschillend.
Loonkloof: het soms ongefundeerde verschil in geldelijke beloning tussen mannen en vrouwen.
De drie opbrengsten van arbeid voor het individu en maatschappij (het ‘nut’) zijn dus:
1. Materiële opbrengst: de beloning en andere (materiële) voordelen die via de arbeid worden
verkregen.
2. Psychische opbrengst: de geestelijke en emotionele bevrediging die de arbeid schenkt, ook
voor degenen voor wie de arbeid wordt verricht, de cliënten/klanten van de zorg- of
dienstverlening.
3. Sociale opbrengst: de contacten, de netwerken en de sociale status die via de arbeid worden
verkregen en de maatschappelijke behoeften die erdoor worden vervuld.
Arbeid afstemmen op de mens is humanisering van de arbeid en mensen afstemmen op de
arbeid heet flexibilisering
Onderbenutting= voortdurend onder je niveau werken
Activerende staat: bekommert zich om alle leden in de samenleving, ook om degenen die niet-
betaalde arbeid (kunnen) verrichten.
Niet-betaalde arbeid draagt de mogelijkheid van substitutie en verdringing in zich, waarbij betaalde
banen worden omgezet in vrijwilligerswerk en eventueel omgekeerd.
Systematisch management = systeem om de relatie tussen de gewerkte tijd en de beloning vast te
stellen.
Hoofdstuk 1 – Arbeid in verandering
Betekenis van arbeid: Het verrichten van taken die nut hebben voor de mensen die ze uitvoeren, voor
hun naaste omgeving en voor de maatschappij als geheel.
Vraag van arbeid = werkgever & aanbod van arbeid = werknemers
Ruime arbeidsmarkt: aanbod is groter dan vraag (werkloosheid) – Krappe arbeidsmarkt: vraag is
groter dan aanbod.
Arbeidsparticipatie
Potentiele beroepsbevolking: deel v/d bevolking dat gezien leeftijd in aanmerking komt voor
deelname aan het beroepsproces
Beroepsbevolking: deel v/d potentiele beroepsbevolking dat werkt (werkzame
beroepsbevolking) of geregistreerd werkloos is (werkloze beroepsbevolking)
Totale arbeidsparticipatie zou betekenen dat ieder lid van de bevolking van 15 tot 64 jaar betaald
werk heeft. Echter is dit een onbereikbare doelstelling.
Optimale arbeidsparticipatie = als 80% van de volwassen bevolking actief deelneemt aan de
arbeidsmarkt.
Deeltijdarbeid bevordert de flexibele arbeidsorganisatie -> interne flexibiliteit
Het nieuwe werken (HNW): Een manier van werken waarbij je niet aan een bepaalde werkplek en
aan vaste werktijden gebonden bent. Geschikt voor werken op afstand. Geeft minder mogelijkheden
voor stijlautonomie.
Ontgroening & vergrijzing
Ontgroening betekent dat er steeds minder jongeren zijn die zich aandienen op de arbeidsmarkt.
Vergrijzing betekent dat er sprake is van een toename van het aandeel ouderen in de bevolking.
Schuldencrisis – de gevolgen
Het verdwijnen van banen in de financiële sector, gevolgd door vele banen in de bouw,
industriële sector en zorg.
De banken zetten de toon voor de hele ondernemerswereld -> Ontslaggolf volgde
Verborgen werkeloosheid: mensen die het zoeken naar een baan opgegeven hebben en niet
in de werklozen statistieken verschijnen. Ook kleine zelfstandigen (zzp) die minder dan het
minimuminkomen verdienen en niet verzekerd zijn vallen hieronder.
(kans)armoede
Decentralisatie
= Het overdragen van meer verantwoordelijkheden en bevoegdheden naar lagere overheden,
bijvoorbeeld het rijk naar de gemeenten).
Participatiewet = de wet waarmee de overheid meer mensen met een arbeidsbeperking aan het
werk wil krijgen. Verantwoordelijk voor re-integratie = de gemeente
,Quotumwet: Dwingt werkgevers om banen vrij te maken voor arbeidsgehandicapten, anders volgt er
een boete.
Bonuscultuur = sommen met geld worden betaald aan bestuurders van instellingen, waarvoor geen
duidelijke prestatie wordt geleverd.
Gouden handdruk = miljoenen euro’s waarmee afscheid wordt genomen van een topfunctionaris in
een organisatie. Echter krijgt lager personeel een schrijntje mee.
Van gouden handdruk naar Balkenende norm = het salaris van een bestuurder mag het
salaris van een minister niet overstijgen.
Cultural lag = vertraging bij het aanpassen van bijvoorbeeld personeelsbeleid aan nieuwe
ontwikkelingen.
Statistische discriminatie = het beoordelen van toetreders op de arbeidsmarkt op grond van de
groepering waartoe de werknemers behoren.
Baanmobiliteit = verandering van baan naar baan (in 2008-2014 drastisch naar beneden gegaan).
We onderscheiden drie gevolgen van de hier geschetste ontwikkelingen voor de arbeidsmarkt:
beperking van de keuzemogelijkheden op de arbeidsmarkt en in het beroepsonderwijs
verzwakking van de onderhandelingspositie van aanbieders en vragers
toenemend ingrijpen van de overheid via wet- en regelgeving op het gebied van arbeid.
Flexcontracten = arbeidscontracten van bepaalde duur
Transitievergoeding = iemand die tenminste twee jaar voor bepaalde tijd in dienst is geweest, heeft
recht op een ontslagvergoeding -> transitievergoeding.
Selffulfilling prophecy = aannames die onjuist zijn maar juist worden omdat mensen ernaar gaan
handelen.
Job hopping = onzekere werkgelegenheidsverhouding met veel kortdurende contracten, weinig
specifieke trainingen en een zwakke onderhandelingspositie.
, Hoofdstuk 2 – Wat is arbeid?
Gebruikswaarde & Ruilwaarde
Gebruikswaarde = het nut van de arbeid voor degene die he verricht, voor de omgeving en voor de
maatschappij als geheel.
Ruilwaarde = de prijs van de arbeid op de markt, meestal uitgedrukt in geld.
Voorbeeld weten:
Het nut voor het individu, de omgeving en de samenleving is belangrijk in verband met de zingeving.
Mantelzorg, bijvoorbeeld, is het verrichten van zorgtaken door verwanten of vrienden binnen de
familie- en vriendenkring. Die zorg kan zowel onbetaald als betaald worden verleend, maar wordt
meestal niet met geld beloond. Thuiszorg is het uitvoeren van zorgtaken door beroepskrachten en
vindt dus altijd plaats tegen betaling. Het nut van mantelzorg is even groot als dat van thuiszorg en de
dienst kan even liefdevol worden verleend, maar de zingeving aan de arbeid, de betekenis die deze
voor de betrokkene heeft, is verschillend.
Loonkloof: het soms ongefundeerde verschil in geldelijke beloning tussen mannen en vrouwen.
De drie opbrengsten van arbeid voor het individu en maatschappij (het ‘nut’) zijn dus:
1. Materiële opbrengst: de beloning en andere (materiële) voordelen die via de arbeid worden
verkregen.
2. Psychische opbrengst: de geestelijke en emotionele bevrediging die de arbeid schenkt, ook
voor degenen voor wie de arbeid wordt verricht, de cliënten/klanten van de zorg- of
dienstverlening.
3. Sociale opbrengst: de contacten, de netwerken en de sociale status die via de arbeid worden
verkregen en de maatschappelijke behoeften die erdoor worden vervuld.
Arbeid afstemmen op de mens is humanisering van de arbeid en mensen afstemmen op de
arbeid heet flexibilisering
Onderbenutting= voortdurend onder je niveau werken
Activerende staat: bekommert zich om alle leden in de samenleving, ook om degenen die niet-
betaalde arbeid (kunnen) verrichten.
Niet-betaalde arbeid draagt de mogelijkheid van substitutie en verdringing in zich, waarbij betaalde
banen worden omgezet in vrijwilligerswerk en eventueel omgekeerd.
Systematisch management = systeem om de relatie tussen de gewerkte tijd en de beloning vast te
stellen.