6.1 Manager:
een persoon die het handelen van andere mensen in een organisatie op gang brengt/stuurt.
Verantwoordelijk voor het (financiële) resultaat van divisie/afdeling, geeft leiding aan medewerkers.
Onder managers organisatieleiding, verschillende personen ‘het managementteam’.
6.2.(1) Manager in de organisatie, werkzaamheden van de manager:
Managementniveaus:
Groeit organisatie behoefte scheiding uitvoerende/leidinggevende. aantal niveaus waarop
managers leidinggeven aan medewerkers. managementlagen afhankelijk;
omvang/specialisatieniveau/type/beleid. Niveaus;
Topmanagement; verantwoordelijk algehele leiding.
Middenmanagement; stuurt de activiteiten aan van uitvoerende medewerkers (kan meer dan
1 niveau zijn, stuurt het lager aan).
Lager management; afdelingschefs/groepsmanagers, die tussen uitvoerende en midden zit.
(kan tot midden gerekend worden).
Beleidsformulerende (constituerende); taken van vooruitzien/voorspellen/plannen/organiseren.
Beleidsuitvoerende (dirigerende); taken delegeren/motiveren/controleren.
Top beleidsformulerende.
Midden zowel formulerend/uitvoerende.
Lager beleid uitvoeren vanuit midden.
Activiteiten van het management:
2 typen managers;
Functionele manager; verantwoordelijk voor 1 activiteit.
Algemene manager; verantwoordelijk voor alle activiteiten.
Binnen werkzaamheden tendensen zichtbaar;
Organisaties meer afgeplat; minder niveaus/managers zijn vanwege integratie van
lager/midden.
Taak manager toenemende uit het coachen, minder leiding.
Van functionele algemene. Meer opgedeeld in autonome (business)units.
Midden meer beleidsformulerende taken, top een voorwaardenscheppende taak.
6.2.2 Rollen van de manager:
Rol; georganiseerde verzamelingen van gedragingen die met een bepaalde positie worden
vereenzelvigd.
3 rollen;
A. Interpersoonlijke rollen; manager leiding, verantwoordelijk voor voortgang/resultaat.
Relaties belangen behartigen/goede wijze besturen.
Rollen; boegbeeld/leider/liaison officer(contacten buiten organisatie, eigen extern gericht
informatiesysteem).
B. Informationele rollen; manager genoeg info om besturen. Op de hoogte blijven van alles. Info
communiceert naar leden/belanghebbende.
Rollen; waarnemer/verspreider/woordvoerder.
C. Besluitvormende rollen; manager richting geven beleid. Kansen/bedreigingen/sterke/zwakke
kanten beslissingen nemen. Heeft medewerkers nodig om te over zien.
Rollen; ondernemer/oplosser van strubbelingen/toewijzer van middelen/onderhandelaar.
Manager dus belangrijkste deel besteedt aan communiceren.
, 6.2.3 Topmanagers:
Directeur topman/ondernemer.
Topmanager; belangrijkste inspirator/initiator van de huidige onderneming. Heeft symboolfunctie
verantwoordelijk successen/faillissementen. Wel great communicator zijn.
6.2.4 Middenmanagement:
Uitvoering aan het algemeen beleid, en direct leiding op uitvoerende.
Belangrijkste taken;
Leidinggeven aan en sturing van activiteiten.
Nemen van operationele beslissingen.
Doorgeven van informatie top-down/bottom-up.
Plannen.
Organiseren van de werkzaamheden.
Motiveren van medewerkers.
Onderhouden van intern/extern contacten.
Rapporteren.
Generen van business.
Steeds meer beleidsformulerende taken bij midden functie groeit. (sleutelpositie) ene kant top,
ander medewerkers.
In de toekomst verplatting van organisaties; verminderen van managementlagen. Doorgroei is
hierdoor minder mogelijk. meer horizontale overplaatsing. Traditionele werkzaamheden door
computer overgenomen minder functies. Eisen worden hoger. Meer in categorie ‘ondernemer’.
6.2.5 Managers bij de overheid:
Managers andere eisen reden bestuurlijke-politieke factor. Leiderschapsfuncties onderverdeeld
bestuur(beleid)/ambtelijke top(uitvoering). Steeds meer naar ambtelijke top.
Andere eisen door;
Geen marktgerichte organisatie. Niet door afnemer dienst maar wil.
Grotere onduidelijkheid te leveren producten.
Bijdrage management aan financiële eindresultaat minder goed aantonen.
Eisen van inrichting/uitvoering van werk, niet in marktsector.
Eisen gesteld;
1. Inzicht in maatschappelijke/bestuurlijke verhoudingen en democratisch bestel.
2. Omgaan met belangenstegenstellingen.
3. Beschikken over grondige kennis van beleidsterreinen.
Steeds meer bij decentrale (semi)- overheidsinstanties dat managementprofiel overeenkomt
bedrijfsleven. zelfstandiger mogen optreden, financieel autonomer geworden, duidelijker
leverancier-klantrelatie. Meer mensen met specifiek ivp vak.
6.2.6 Vrouwelijke manager:
2012, 30% vrouwen in bestuur.
6.3 Manager als leidinggevende:
Henri Fayol onderscheidde aantal bestuurlijke taken van leidinggeven;
Vooruitzien
Organiseren
Bevel voeren
Coördineren
Controleren
6.3.1 Manager en macht:
Functie leidinggeven leiden van organisatie naar doel. Macht; vermogen om invloed uit te oefenen
(essentieel van het leidinggeven).
Macht;