Vervolgingsbeslissing en dagvaarding
Literatuur en jurisprudentie
Keulen/Knigge 2016
Hoofdstuk 2: § 2.5 en § 2.6.1 en 2.6.3
Hoofdstuk 3: § 3.5.2
Hoofdstuk 5
Hoofdstuk 6, t/m § 6.8.3
Hoofdstuk 12 t/m §12.4.5
Jurisprudentiebundel
HR 25 juni 1996, NJ 1996, 714 (Zeeuwse motorrijder)
HR 22 februari 2000, NJ 2000, 557 (Vertrouwen uit richtlijn)
HR 6 november 2012, NJ 2013, 109 (Toetsing vervolgingsbeslissing door zittingsrechter)
HR 13 december 2016, NJ 2017, 7 (Vervolging hennepplanten)
Leeswijzer
In Nederland heeft het Openbaar Ministerie (OM) het vervolgingsmonopolie. Het OM bepaalt
of het al dan niet tot vervolging van een strafbaar feit over zal gaan. Vervolging houdt in het
door het OM betrekken van een strafrechter in een strafzaak. Dat kan zijn de zittingsrechter,
maar ook de rechter-commissaris. Vervolgingshandelingen zijn bijvoorbeeld het vorderen van
voorlopige hechtenis, het anderszins betrekken van de rechter-commissaris in het onderzoek
en het dagvaarden van de verdachte. Ook het uitvaardigen van een strafbeschikking door het
OM is door de wetgever gekwalificeerd als een daad van vervolging. Dit is een vorm van
buitengerechtelijke afdoening. Binnen kaders die in de wet (artikel 74a Sr en 257b Sv) en
nadere richtlijnen zijn vastgelegd, kan de politie voor geringe feiten ook een politietransactie
aanbieden of een politiestrafbeschikking uitvaardigen. Daarnaast kan de politie op grond van
de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften voor veel lichte
verkeersovertredingen zogenaamde bestuurlijke boetes opleggen.
De vervolgingsbeslissing volgt chronologisch op het opsporingsonderzoek. De beslissing tot
(verdere) vervolging wordt genormeerd in de artikelen 167 en 242 Sv. Het tweede lid van
deze artikelen maakt duidelijk dat van (verdere) vervolging kan worden afgezien op gronden
aan het algemeen belang ontleend. Niet alle zaken die het OM heeft onderzocht en waarin
voldoende aanknopingspunten zijn gevonden om een rechterlijk oordeel over te vragen,
komen ook daadwerkelijk voor de rechter. Uit de praktijk blijkt dat slechts de helft van alle
misdrijven en overtredingen dat bij het OM binnenkomt, voor de rechter komt. Dit heeft te
maken met het feit dat het OM niet alleen de haalbaarheid van een zaak, maar ook de
wenselijkheid (de opportuniteit) van de vervolging beoordeelt. Op basis van het
opportuniteitsbeginsel heeft de officier van justitie de vrijheid om van vervolging af te zien.
Belangrijk daarbij is of het algemeen belang ermee is gediend dat de zaak wordt vervolgd.
Uit het arrest Toetsing vervolgingsbeslissing door zittingsrechter volgt dat de rechter door wie
de zaak wordt behandeld, zeer terughoudend moet zijn met het niet-ontvankelijk verklaren
van het OM vanwege het feit dat het opportuniteitsbeginsel niet juist zou zijn toegepast. In
uitzonderlijke gevallen kan de rechter het OM echter terugfluiten. Op dit punt wordt de
exclusiviteit van de vervolgingsbeslissing door het OM dus enigszins gerelativeerd.
In plaats van de zaak voor de rechter te brengen door de verdachte te dagvaarden, kan de
officier van justitie de zaak seponeren op technische gronden of in het algemeen belang. De
, officier van justitie kan ook een strafbeschikking uitvaardigen, de zaak voorwaardelijk
seponeren of een transactie aanbieden.
Tegen een beslissing van het OM om niet te vervolgen of om te vervolgen door het
uitvaardigen van een strafbeschikking kunnen belanghebbenden beklag indienen bij het
gerechtshof (artikel 12 Sv; arrest Zeeuwse Motorrijder).
Een belangrijk deel van de beoordeling van de afdoening van veel voorkomende delicten
vindt plaats aan de hand van richtlijnen. Daarin is vastgelegd hoe door het OM een strafzaak
moet worden afgedaan. Deze richtlijnen zijn recht in de zin van artikel 79 RO en hebben
derhalve bindende werking (arrest Vertrouwen uit richtlijn). Zij kunnen worden geraadpleegd
op www.om.nl, onder ‘beleid en straffen’.
Als het OM de zaak voor de rechter brengt zal het een dagvaarding aan de verdachte doen
betekenen. De dagvaarding heeft vier functies: het aanduiden van de persoon van de
verdachte, het oproepen van de verdachte om op een bepaald tijdstip voor een bepaalde
rechter te verschijnen, het beschuldigen van de verdachte en het informeren van de verdachte
omtrent een aantal strafprocessuele rechten die hem toekomen. Het hart van de dagvaarding
wordt gevormd door de tenlastelegging (de beschuldiging). In deze tenlastelegging geeft het
OM aan van welk strafbaar feit iemand wordt verdacht. Na afloop van het onderzoek ter
terechtzitting beraadslaagt de rechtbank over de vraag welke uitspraak moet volgen. De
rechter moet op grondslag van de tenlastelegging beslissen over de vragen van het
beslissingsschema van artikel 348 en 350 Sv.
Trefwoorden
Vervolgingsmonopolie
Opportuniteitsbeginsel
Buitengerechtelijke afdoening
Transactie en (voorwaardelijk) sepot
Strafbeschikking (Wet OM-afdoening)
Dagvaarding
Beklag over niet (verdere) vervolging (artikel 12 Sv)
Zelfstudievragen
1. Welke twee gronden spelen een rol bij de beslissing van de officier van justitie om al dan
niet (verder) te vervolgen?
2. Welke correctiemiddelen bestaan er op de monopoliepositie van het OM ten aanzien van
de vervolgingsbeslissing?
3. a. Is het aanbieden van een transactie een daad van vervolging?
b. Is het uitvaardigen van een strafbeschikking een daad van vervolging?
4. Wat is de essentie van het Zeeuwse motorrijder-arrest?
5. Welke situaties kunnen tot gevolg hebben dat de dagvaarding nietig wordt verklaard?
6. Wat is het verschil tussen de interne en de externe eisen inzake de geldigheid van de
dagvaarding?