Inhoudsopgave............................................................................................................................1
Katern 1 – schaarste en ruil........................................................................................................2
Hoofdstuk 1 - Kopen is kezen..................................................................................................2
Hoofdstuk 2 – De rol van ruilen en geld.................................................................................7
Katern 2 markt: vraag en aanbod.............................................................................................10
Hoofdstuk 1 – Markt en vraag..............................................................................................10
Hoofdstuk 2 – Markt en aanbod...........................................................................................15
Katern 3 marktvormen en marktfalen......................................................................................22
Hoofdstuk 1 – marktvormen.................................................................................................22
Hoofdstuk 2 – Marktfalen.....................................................................................................27
Katern 4 Ruilen over de tijd......................................................................................................32
Hoofdstuk 1 – ruilen over de tijd..........................................................................................32
Hoofdstuk 2 – De overheid ruilt over de tijd........................................................................35
Katern 5 samenwerken en risico...............................................................................................39
Hoofdstuk 1 – samenwerken is een spel..............................................................................39
Hoofdstuk 2 – Risico & Informatie........................................................................................48
Katern 6 welvaart en groei........................................................................................................51
Hoofdstuk 1 – Welvaart........................................................................................................51
Hoofdstuk 2 – Het verdelen van de welvaart.......................................................................58
Katern 7 Goede tijden, slechte tijden.......................................................................................64
Hoofdstuk 1 – Schommelingen in de economie...................................................................64
Hoofdstuk 2 – Overheidsingrijpen........................................................................................69
1
,Katern 1 – schaarste en ruil
Hoofdstuk 1 - Kopen is kezen
§1.1 keuzes maken
Productiefactoren: Beloningen:
Kapitaal Rente
Arbeid K Loon
Natuur Huur/ pacht
A
Ondernemerschap Winst
N
Nationaal product O Nationaal inkomen
BBP Primair inkomen
Geld
Middelen
Tijd
Schaarste: niet genoeg middelen om aan je behoefte te voldoen. (Moet je ervoor betalen?)
Vrij goed: geen productiefactoren nodig. Voorbeelden zijn zon, wind en regen.
Economie: de wetenschap die zich bezighoudt met de manier waarop mensen in een
samenleving omgaan met onbeperkte behoeften en schaarse middelen.
Basisbehoeften/ primaire behoeften: denk aan een dak boven je hoofd, voedsel en kleding.
Secundaire behoeften: Behoeften die pas van belang worden als de primaire behoeften zijn
vervuld. Hierbij kun je onderscheid maken in:
Normale behoeften: behoeften die net uitsteken boven het bestaansminimum.
o Bijv.: sporten of dicht bij school wonen.
Luxe behoeften: steken ver boven het bestaansminimum uit. Bijv. merkkleding en
een sportwagen.
2
, Statusgoederen: producten waarmee je kunt voorzien in de behoefte aan erkenning,
waardering en het je onderscheiden van anderen.
Alternatief aanwendbaar: middelen zijn voor verschillende mogelijkheden in te zetten.
Budget: het (beperkte) bedrag dat je maximaal kunt besteden in een periode.
Budgettair probleem: een tekort dat ontstaat wanneer de uitgaven hoger zijn dan de
inkomsten.
Bezuinigen: het verlagen van de uitgaven.
3