Symbiose = samenleving tussen organismen, verschillende vormen van samenleving zijn:
1. Mutualisme – beide organismen voordeel
2. Parasitisme – 1 organisme voordeel, 1 organisme nadeel
3. Commensalisme – 1 organisme voordeel, ander geen nadeel of voordeel
Opportunistische interacties = toevallige symbiotische interacties, worden veroorzaakt door
transiënte (passante, tijdelijke) flora.
Obligaat symbiontische reacties = symbiontische interacties alleen binnen zeer specifieke
samenlevingsvormen, worden veroorzaakt door residente (permanente) flora.
Positieve en negatieve invloeden symbiose tussen MO en mens:
Positief Negatief
Productie enzymen, vitamines of groeifactoren Productie zeer potente toxische stoffen, die
zelfs in lage concentraties schade kunnen
toebrengen.
Organische voedingsstoffen
Constante pH
Constante temperatuur
Macro milieus: huid, mond, luchtwegen, maag-darm stelsel, anale en genitale gebieden
> binnen deze macromilieus heeft iedere bacterie zijn eigen micromilieu.
1. Huid > uitscheiding van ureum, aminozuren, zouten, lipiden, melkzuur en water (2 m2 bij
volwassenen)
Oksels > reuk wordt veroorzaakt door microbiële activiteit
Normale huidflora is maar beperkt tot enkele groepen MO’s > stafylokokken, aërobe en
anaërobe corynebacteriën (propionibacterium, kan acne veroorzaken).
Let op: veel MO zijn niet in staat om op de huid te leven, waarschijnlijk vanwege het lage
vochtgehalte van de huid en door de uitscheiding van organische zuren (zoals vetzuren).
Infectie = micro-organismen in weefsels/organen/bloed- en lymfesystemen van het lichaam.
Aanwezigheid met eventuele groei in de gastheer; niet perse schade // infectieziekte = wel schade.
2. Mond > meest complexe en heterogene microbiële habitat v/h lichaam
Tanden, tong, tandvlees, mondholte
Vele micromilieus zijn onderscheidbaar m.b.t. hun positie t.o.v. bijv. de mondopening, tong
en speekselklieren.
Speeksel bevat voedingsstoffen, zouten, eiwitten, aminozuren en koolhydraten maar is geen
goed groei-medium omdat het ook antibacteriële stoffen bevat (lysozym en lactoperoxidase)
Geen tanden (1e levensjaar) aerotolerante anäeroben (streptokokken)
Wel tanden aëroben naar anaëroben, veel verschillende bacteriën en tandplaque.
[Lysozym/lactoperoxidase zorgt voor productie van een bactericide vorm van zuurstof]
[Tandplaque biofilm op het tandoppervlak die bestaat uit bacteriële cellen die omgeven zijn door
een polysaccharidematrix. De samenstelling is afhankelijk van de locatie]
, Vorming van tandplaque:
a. Dun laagje glycoproteïnen hecht zich (aspecifiek) aan het tandoppervlak (=pellicle)
b. Bepaalde bacteriën hechten zich via lectine-achtige stoffen aan het pellicle (bijv. S. sanguis en
S. mitis)
c. Kolonisatie
3. Luchtwegen
> onderste luchtwegen: doorsnee kleiner dan 10 um
Druppelkernen met een doorsnee kleiner dan 10 um kunnen hier doordringen. Grotere deeltjes
blijven steken in de bovenste luchtwegen en worden via ciliën met slijm afgevoerd.
> bovenste luchtwegen: doorsnee groter dan 10 um
Bacteriën kunnen via de ademhaling binnendringen – meesten worden gevangen in de
neusholtes en d.m.v. ciliën met het slijm uit de neus & luchtpijp afgevoerd.
Residente bacteriën diverse soorten stafylokokken, streptokokken, difteroïden en gram
negatieve kokken (m.n. Neisseriae). Iedereen heeft zijn eigen karakteristieke flora!
Normale nasofarynx flora: staphylococcus aureus, Streptococcus pneumoniae, Streptococcus
pyogenes en Corynebacterium diphteriae
4. Maag-darm stelsel
> maag
pH van +/- 2 hierdoor microbiologische barrière bacterietellingen van de maag-inhoud is
normaliter zeer laag
> dunne darm
Bestaat uit: duodenum, jejunum en ileum duodenum is direct achter de maag gelegen en
daarom nog vrij zuur (flora lijkt op maag flora). Vanaf duodenium->ileum wordt pH minder zuur
en neemt het aantal bacteriën toe. (10^4 10^7 kve/gram darminhoud) nemen O2 weg (in de
dikke darm gaat dit proces verder)
> dikke darm
Zeer dicht bevolkt facultatief (an)aëroben nemen O2 weg en creëren strikt anaërobe
omgeving.
Fecale flora = 10^12 bacteriën/gram feces !
Bestaat overwegend uit gram-negatieve staven (bacteriodes) , gram-positieve staven
(sporevormers, clostridia), anaërobe lactobacillen, acintomyceten en gram-positieve kokken
(enterokokken).
Microbiële activiteit:
a. vorming van korte-keten-vetzuren (azijnzuur, propionzuur, boterzuur)
b. vitaminesynthese (vitamine B-12 en K, thiamine, riboflavine, pryridoxine)
c. gasproductie (H2, CO2, CH4)
d. Stankproductie
Bacteriële methaangas wordt bij ca. 1/3 deel van de mensen aangetroffen!