Inhoud
H3. Sociale cognitie: hoe we denken over de sociale wereld..................................................................2
H4. Sociale perceptie: hoe we andere mensen begrijpen.......................................................................4
H5. Het zelf: onszelf begrijpen in een sociale context.............................................................................6
H6. De behoefte om ons handelen te rechtvaardigen..........................................................................10
H7. Attitudes en attitudeverandering: gedachten en gevoelens beïnvloeden......................................13
H8. Conformisme: sociale invloed en aanpassing van gedrag...............................................................15
H9. Groepsprocessen: invloed in sociale groepen................................................................................16
1
,H3. Sociale cognitie: hoe we denken over de sociale wereld
Sociale psychologie kijkt naar het individu binnen de groep; is dus een bemiddelaar tussen sociologie
en persoonlijkheidspsychologie.
Procesmodel: grafische weergaven van alle factoren die invloed hebben op het eindgedrag.
1. Praktijkprobleem
2. Probleemstelling
3. Eindvariabele
4. Factoren die van invloed zijn op de eindvariabele
5. Zijn factoren positief of negatief van invloed op de eindvariabele
De student: Geeft een definitie/herkent/past toe (een selectie) van de onderstaande begrippen.
Automatisch denken: Denken dat onbewust, onopzettelijk, onwillekeurig en zonder inspanning
geschiedt.
Schema’s: Mentale structuren die mensen gebruiken om hun kennis over de sociale wereld te
organiseren rond thema’s of objecten en die invloed hebben op de informatie die mensen opmerken,
waarover ze nadenken en die ze zich herinneren.
Scripts: Schema’s over specifieke gebeurtenissen, oftewel de beschrijving van hoe zo’n
gebeurtenis gewoonlijk verloopt. Bijv. het idee dat daklozen er zelf voor hebben gezorgd dat
ze geen dak boven hun hoofd hebben; er zelf een potje van gemaakt hebben.
Toegankelijkheid: Mate waarin schema’s en concepten zich op de voorgrond van ons
bewustzijn bevinden waardoor het waarschijnlijker is dat we ze gebruiken bij onze oordelen
over de sociale wereld. Het schema dat in je opkomt als je iemand beoordeeld en dat bepaalt
welke indruk je van iemand krijgt, kan beïnvloed worden door deze toegankelijkheid. Priming:
Het proces waarbij recente ervaringen de toegankelijkheid van een schema, kenmerk of
concept verhogen. Als je net in aanraking bent gekomen met iemand die dronken is, zou je
iemand anders die hier kenmerken van vertoont ook eerder als dronken bestempelen i.p.v.
bijvoorbeeld oververmoeid.
Perseveratie-effect: Bevinding dat opvattingen van mensen over zichzelf en de sociale wereld
aanhouden, ondanks bewijzen van het tegendeel. Bijv. het jaar daarop weer geloven in sinterklaas
ook al is je verteld dat hij niet bestaat.
Selffulfilling prophecy (zichzelf waarmakende voorspelling): Situatie waarbij mensen een verwachting
hebben over hoe iemand is, die van invloed is op de manier waarop ze zich tegenover die persoon
gedragen, waardoor die persoon zich consistent met deze verwachtingen gaat gedragen, zodat hun
verwachting uitkomt.
Pygmalioneffect: Een positieve selffulfilling prophecy: als er positieve verwachtingen zijn van mensen
(bijvoorbeeld studenten of werknemers), gaan zij beter presteren.
Beoordelingsheuristiek: Mentale aanname die mensen gebruiken om snel en efficiënt te kunnen
oordelen.
Beschikbaarheidsheuristiek: Mentale aanname waarbij mensen een oordeel baseren op het
gemak waarmee ze zich iets voor de geest kunnen halen. Het probleem met de
beschikbaarheidsheuristiek is dat iets wat je je gemakkelijk voor de geest kunt halen, niet per
se typerend is voor het hele plaatje. Bijv. Gijs vraagt of je hem assertief vindt, als er
gemakkelijker herinneringen naar boven komen waarin hij dit wel is, zul je zeggen dat hij
2
, assertief is, als er gemakkelijker herinneringen naar boven komen waarin hij niet assertief
was, zul je zeggen dat hij niet assertief is.
Representativiteitsheuristiek: Mentale aanname waarbij mensen iets classificeren op grond
van de mate waarin het lijkt op een karakteristiek geval. We gaan uit van kenmerken die
representatief zijn en gaan niet uit van informatie over basisfrequentie: Informatie over de
regelmaat waarmee leden van verschillende categorieën in de populatie voorkomen. Bijv. als
iemand MMMM heeft gegooid ben je geneigd te zeggen dat de kans op K kleiner is, terwijl
deze gewoon even groot is als voordat je begon met gooien. Of iemand met bepaald
eigenschappen bestempelen als woordenboekenschrijver i.p.v. vertegenwoordiger, terwijl de
kans op vertegenwoordiger veel groter is.
Anker- en correctieheuristiek: Mentale aanname waarbij mensen een getal of waarde als
beginpunt gebruiken en vervolgens onvoldoende op dit ankerpunt corrigeren. Bijv. als je eerst
vraagt of het aantal allochtonen op de Hoge School hoger of lager is dan 70%, zal diegene als
hij vrij moet schatten na deze vraag een hogere schatting geven van het percentage
allochtonen, dan wanneer je eerst vraagt of het aantal allochtonen op de Hoge School hoger
of lager is dan 5 %.
Culturele verschillen: De cultuur waarin wij opgroeien, beïnvloedt onze denkwijzen op verschillende
fundamentele manieren.
Analystische denkstijl: Manier van denken waarbij mensen zich richten op de kenmerken van
objecten zonder aandacht te schenken aan de context; deze manier van denken is
gebruikelijk in de westerse wereld. Bijv. bij het zoek de verschillen plaatje, alleen kijken naar
de vliegtuigen en niet naar de omgeving.
Holistische denkstijl: Manier van denken waarbij mensen zich richten op het geheel, met
name de wijze waarop objecten zich tot elkaar verhouden; deze manier van denken is
gebruikelijk in Oost-Aziatische culturen. Bijv. bij het zoek de verschillen plaatje, zien zij eerder
de verschillen in de achtergrond van de foto’s.
Gecontroleerd denken: Denken dat bewust, opzettelijk en uit vrije wil plaatsvindt en dat inspanning
vereist.
Tegenfeitelijk denken: Een aspect van het verleden op mentaal niveau veranderen zodat je je
kunt voorstellen hoe het had kunnen zijn. Bijv. stel dat ik 1 vraag meer goed had gehad op
mijn toets, dan had ik een voldoende gehad. De emotionele reactie is heftiger als een kleine
verandering veel effect op het eindresultaat heeft. Studenten hebben liever een 4 dan een
5.4.
Gedachteonderdrukking: Poging om alle gedachten over iets wat we zo snel mogelijk willen
vergeten, vermijden. Bestaat uit 2 processen:
1. Monitoring proces: Onbewust zoeken naar bewijzen dat een gedachte op het punt staat
om door te breken in het bewustzijn.
2. Operating proces: Hier is de gedachte bewust naar boven gekomen. Dit is de inspanning
vereisende bewuste poging om jezelf af te leiden door op zoek te gaan naar iets anders
om aan te denken.
Barrière van overdreven zelfvertrouwen: Gegeven dat mensen gewoonlijk te veel vertrouwen
op de nauwkeurigheid van hun eigen oordelen.
3