SCHADEVERGOEDING
LEERDOELEN
1- Wat het gevolg is van nakoming.
2- Door wie betaald moet worden.
3- Aan wie betaald moet worden.
4- Waar betaald moet worden.
5- In welke gevallen de debiteur toch bevrijdend heeft betaald, ondanks dat niet
betaald is aan de crediteur of aan degene die bevoegd is namens de crediteur de
betaling in ontvangst te nemen.
6- Wanneer een vordering tot nakoming door de crediteur met succes kan worden
ingesteld.
7- Wat de reële executie inhoudt.
8- Hoe reel geëxecuteerd kan worden bij de verschillende soorten verbintenissen.
9- Aan welke vereisten moet zijn voldaan wil een crediteur met succes een vordering
tot schadevergoeding instellen.
10- Aan weke vereisten moet zijn voldaan wil een crediteur met succes een vordering
tot ontbinding instellen of de overeenkomst zonder rechtelijke tussenkomst
ontbinden.
11- Wanneer het te kort schieten in de nakoming van een verbintenis aan de debiteur
toerekenbaar is.
12- Wanneer sprake is van overmacht.
13- Welke schade voor vergoeding in aanmerking komt.
NAKOMING VAN EEN VERBINTENIS
Het gevolg van nakoming is in de regel dat de verbintenis te niet gaat.
Nakoming van de verbintenis kan door de schuldenaar of door een derde (art. 6:30). De
derde moet wel zelf de bedoeling hebben om aan de verbintenis van de schuldenaar te
voldoen. Tevens dient de inhoud of de strekking van de verbintenis zich hiertegen niet te
verzetten (bijvoorbeeld een overeenkomst dat een speciale chirurg een operatie uitvoert,
mag niet door een andere chirurg worden overgenomen).
Aan wie moet betaald worden?
a. Art. 6:32 staat dat in de eerste plaats betaalt dient te worden aan de schuldeiser =
degene die gerechtigd is tot de prestatie. Bijvoorbeeld Gerrit verkoopt zijn auto aan
Karel, dan is Karel gerechtigd tot het ontvangen van deze auto. Beslissend is wel wie
op het ogenblik van de betaling schuldeiser is. Zo zal de betaling door de
schuldenaar na cessie van de vordering moeten gebeuren aan de cessionaris.
b. De betaling kan plaatsvinden aan iemand die met de schuldeiser of in plaats van hem
bevoegd is de betaling te ontvangen. Zoals bij een volmacht, ouder of voogd, curator.
1/15
, De betaling die niet is gedaan aan de schuldeiser of degene die bevoegd is, bevrijdt de
schuldenaar niet en zal hij op nieuw moeten betalen. Er zijn echter uitzonderingen waarin
een betaling dan toch geldig is (art. 6:32 en 6:34):
1. Het geval dat degene aan wie betaald moest worden, de betaling heeft bekrachtigd;
2. Het geval dat door de betaling is gebaat;
3. Het geval dat de schuldenaar te goeder trouw aan een ander heeft betaald.
Ad 1. De schuldeiser heeft de betaling bekrachtigd d.w.z. dat de schuldeiser achteraf de
betaling alsnog goedkeurt. De bekrachtiging heeft terugwerkende kracht.
Ad 2. De schuldeiser is door de betaling gebaat d.w.z. dat het betaalde in handen van de
schuldeiser is gekomen / het in zijn vermogen is. Bijvoorbeeld iemand geeft het geld aan
een huisgenoot van de schuldeiser en deze geeft het vervolgens aan de schuldeiser.
Ad 3. Het is mogelijk dat de schuldenaar aannam dat degene aan wie hij heeft betaald de
crediteur was. Bijvoorbeeld het geval dat tijdens de huurovereenkomst de verhuurder zijn
huis / auto verkoopt en de huurder nog de huurprijs aan de oude eigenaar overmaakt
omdat hij niet kan weten dat hetgeen hij heeft gehuurd is verkocht aan een ander.
Een andere mogelijkheid is dat de schuldenaar aannam op redelijke gronden dat aan die
ander uit anderen hoofde moest worden betaald. Bijvoorbeeld: Jan heeft een vordering
op Paul uit een geldleenovereenkomst. Jan vestigt op deze vordering een pandrecht ten
behoeve van Karel. Jan betaald zijn schuld aan Karel, zodat het pandrecht vervalt. Paul
wordt hiervan niet op de hoogte gebracht en betaald vervolgens aan Karel het bedrag.
Het bovenstaande betekent echter niet dat de echte crediteur in deze gevallen de
betaling misloopt. Art. 6:36 bepaald dat de ware gerechtigde verhaal heeft op degene die
de betaling zonder recht heeft ontvangen.
Ad 4. Voor bepaling van de plaats waar de verbintenis dient te worden nagekomen is art.
6:41 van belang en in het geval van de betaling van een geldsom is art. 6:115 e.v. van
belang.
De opgenomen bepalingen zijn van regelend recht dus partijen kunnen over de laats van
betaling wat anders overeenkomen.
Art. 6:41 bepaalt voor dit geval dat een specieszaak afgeleverd moet worden op de
plaats waar zij zich op het moment van het ontstaan van de verbintenis bevond en dat
een genuszaak afgeleverd moet worden op de plaats waarde schuldenaar is.
Bijvoorbeeld. E heeft twintig auto’s in de verhuur. E komt met F overeen dat hij een van
deze auto’s aan hem zal verhuren en dat F dan eerst de huurprijs moet voldoen. Met
betrekking tot de auto is er sprake van een genuszaak (zijn er meer en staat niet vast
welke auto) zodat de aflevering plaats dient te vinden op de plaats waar E zijn bedrijf
heeft.
Men kan concluderen dat zowel bij een specieszaak als bij een genuszaak er sprake is
van een haalschuld.
2/15