LEERDOELEN
1. Wie zijn in het algemeen gerechtigd en gebonden uit een overeenkomst.
2. Wanner is sprake van een derden belang.
3. Wanneer is sprake van een kwalitatief recht.
4. Wanneer is sprake van een kwalitatieve verplichting
ALLEEN PARTIJEN GERECHTIGD EN GEBONDEN UIT OVEREENKOMST
In het BW is het niet uitdrukkelijk opgenomen maar de algemene regel is dat de
rechtsgevolgen van een overeenkomst alleen gelden voor de partijen die de
overeenkomst hebben gesloten.
Op deze algemene regel zijn drie uitzonderingen:
1. Het derdenbeding;
2. De kwalitatieve rechten; en
3. De kwalitatieve verplichtingen.
AD 1. HET DERDENBEDING
Art. 6:253 bepaalt: een overeenkomst schept voor een derde het recht een prestatie van
een van de partijen te vorderen indien de overeenkomst een beding van die strekking
inhoudt en de derde dit ook aanvaard.
Bijvoorbeeld. Anton sluit met een eigenaar van een kantoorartikelenwinkel een
overeenkomst waarin staat dat deze aan de zus van Anton de kantoormeubelen zal
verkopen tegen kostprijs. Het is de bedoeling van beiden dat de zus een zelfstandig recht
krijgt. Aanvaarding door de zus van Anton van het t.b.v. haar gemaakte beding, heeft tot
gevolg dat zij een zelfstandig recht heeft verkregen op levering van de kantoormeubelen
tegen kostprijs.
De stipulator = degene (A) die ten behoeve van de derde (C) een eigen recht bedingt.
De promissor = degene (B) die zich verbindt tot het leveren van een prestatie aan die
derde (C).
De aanvaarding van het beding door een derde gebeurd door een verklaring gericht aan
een van de andere partijen (art. 6:253). Dit kan in ieder vorm geschieden.
Op grond van art. 6:254 geldt dat de derde nadat hij het beding heeft aanvaard, als partij
bij de overeenkomst is.
Op grond van art. 6:253, lid 2 kan het derdenbeding alleen door de stipulator worden
herroepen maar alleen zolang het niet door de derde nog is aanvaard.
1/6
, AD 2- DE KWALITATIEVE RECHTEN
Art. 6:251 bepaald dat degene die een goed onder bijzondere titel verkrijgt, ook de
rechten verkrijgt die de vervreemder had, als:
a. Het een recht is dat voortvloeit uit een overeenkomst;
b. Het een recht is dat voor overgang vatbaar is; en
c. Het een recht is dat zodanig met een goed is verbonden dat men slecht belang heeft
bij dat recht zolang met bezitter is van dat goed.
Kwalitatief recht : het recht zit als het ware vast aan degene die recht op dat goed heeft
c.q. het zit vast aan de kwaliteit van rechthebbende op het goed. De verkrijger van een
goed waaraan een kwalitatief recht is verbonden, verkrijgt deze van rechtswege.
Voorbeeld: Nico is heeft een caravan bij garagehouder Otto gekocht. Hierbij is
overeengekomen dat de garagehouder ieder jaar gratis een inspectie van de caravan
verricht. Na vier jaar verkoopt Nico de caravan aan Pol. Dit recht komt uit een
overeenkomst voort en is voor overgang vatbaar en is zodanig verbonden met de
caravan dat alleen de eigenaar daar belang bij heeft. Dit recht gaat dan van rechtswege
van Nico over op Pol.
Voorbeeld: Rob heeft drie grote containers die ieder jaar door Reintjes worden
schoongemaakt tegen een vast bedrag. Rob verkoopt en levert deze containers aan
Henk. Dit recht vloeit voort uit een overeenkomst, is voor overgang vatbaar en is aan de
containers verbonden en gaat dan van rechtswege over van Rob naar Henk.
Het niet aanvaarden van een kwalitatief recht kan op twee wijzen:
1. De verkrijger kan een verklaring aan de wederpartij richten (C) dat hij de overgang
van dit recht niet aanvaardt;
2. Bij de leveringshandeling van het goed kunnen vervreemder en verkrijger ook
afspreken dat een met het goed verbonden recht niet op de verkrijger overgaat.
AD 3- DE KWALITATIEVE VERPLICHTINGEN
Er kan sprake zijn verplichtingen die op zich kwalitatief zijn en overgaan op
rechtsopvolgers onder bijzondere titel.
Art. 6:252 bepaalt de vereisten voor de overgang van een kwalitatieve verplichting, deze
zijn:
1. Er moet een overeenkomst zijn;
2. Er moet een registergoed zijn;
3. Er moet sprake zijn van een dulden of niet-doen met betrekking tot dat registergoed;
4. De eigenaar van het registergoed moet overeenkomen dat ook rechtsopvolgers
onder bijzondere titel gebonden zijn aan die verplichting.
Samenvattend: zijn A, eigenaar van een registergoed, en B een overeenkomst
aangegaan, inhoudende een dulden of niet-doen met betrekking tot A ’s registergoed en
zijn A en B tevens overeengekomen dat de rechtsopvolger van A onder bijzondere titel
van het registergoed daar ook aan gebonden is, terwijl deze overeenkomst in een
2/6