Samenvatting themalijn 1.1
Hoofdstuk 1
Observeren heeft verschillende functies
Ontwikkeling volgen
Passende begeleiding
Beeldvorming
Bij beeldvorming van een kind liggen er een aantal valkuilen
Sociaal culturele achtergrond
Emotionele betrokkenheid
Vooroordelen
Projectie
Stemming
Persoonlijke ervaringen
Bij gedrag hebben we de stimulus en de response. De stimulus is wat het gedrag uitlokt en
veroorzaakt. De response is het gevolg van de oorzaak. Welk gedrag gaat dit kind uiten.
Als je het gedrag begrijpt kun je effectief handelen. Waar komt het vandaan, is het normaal gedrag. Je
neemt ook niet alles waar wat de kinderen doen, je selecteert op wat je waarneemt.
Een waarneming heeft verschillende fases
Prikkel – gewaarwording – verwerking – waarneming
Verwachtingen zorgen ervoor dat je dezelfde gewaarwording niet dezelfde betekenis heeft bij ieder
kind. Kijk professioneel naar elk kind.
Observeren doe je doelbewust en planmatig je gaat eerst na om welke reden je gaat observeren. En
dan maak je een plan hoe je gaat observeren. Vooraf leg je vast waar je naar gaat kijken. hierna maak
je een stappenplan
1. Algemene gegevens
2. Aanleiding
3. Observatie en vraagstelling
4. Concreet gedrag
5. Observatie categorieën
6. Observatiemethode
7. Plaats en tijd
Ook heb je verschillende observatie methodes
Participerende observatie
Je doet mee met de activiteit van de kinderen zoals mee voetballen
Niet participerende observaties
Je kijkt op een afstand wat de kinderen doen
Ongestructureerde observatie
Geen regels of afspraken voor de beschrijving van de observaties
Gestructureerde observatie
Vooraf opgestelde regels en afspraken voor het opschrijven van de observaties
Event-sampling: je kijkt naar een bepaalde gebeurtenis
Time-sampling: je kijkt in een bepaalde tijd wat er gebeurd.
, Je hebt verschillende vormen hoe je de observatie beschrijft
Beschrijvende methode
Je schrijft in trefwoorden op wat er gebeurd
Observatieschema
Alleen de gedragskenmerken aan te kruisen. Kant en klare schema’s
Coderingssysteem
Zo hou je het geheim voor andere personen. Je beschrijdt gedragscategorieën met cijfers.
Beoordelingsschaal
Met een cijfer of punt geef je een score voor bepaald gedrag.
Als je dit hebt waargenomen, ga je het verwerking. Je gaat kijken waar het gedrag vandaan komt. Is er
sprake van een leer- of gedragsstoornis. Hoe je bij de feite en noem het kind niet gelijk agressief of
bang. Hierna kun je een handelingsplan gaan maken voor het kind. Je legt het hele observatieproces
vast in een rapportage.
Hoofdstuk 4
In een goed pedagogisch klimaat in de klas worden kinderen positief uitgedaagd en gestimuleerd en
zullen zich in de aanleg aanwezige vermogens verder ontwikkelen.
een kind kan zich alleen ontwikkelen en leren in een omgeving waarin het zich veilig en vertrouwd
voelt. Er wordt rekening gehouden met de basisbehoefte van een kind.
1. Behoefte aan goede relaties
2. Behoefte aan competentie
3. Behoefte aan autonomie
relatie
1. Kinderen ontdekken alleen hun omgeving en ontwikkelen zich als het zich vertrouwd voelt.
Hiervoor is een goede band met de leerling belangrijk. Je werkt aan goede onderlinge relaties
tussen de kinderen en doe je er iets aan als je merkt dat een kind geen contact heeft met de
groep.
competentie
2. Het gevoel dat je iets kan is een basisbehoefte. Complimentjes krijgen stimuleert kinderen
om te leren en er plezier in te hebben. Klieren, concentratie van anderen verstoren, of andere
hun werk verpesten zijn tekenen dat een kind zelfverzekerdheid mist door ‘ik kan het niet
ervaringen’ deze kinderen geef je juist extra positieve ‘ik kan het ervaringen’
autonomie
3. Kinderen willen van nature leren. Probeer de neiging te snel in te grijpen te herkennen en te
onderdrukken. Laat het initiatief bij het kind, en structureer de activiteiten niet teveel.
De drie basisbehoefte kun je koppelen aan drie aspecten van handelen van een leerkracht
Interactie met de klas
De instructie
De klassenorganisatie
Zo schep je een uitdagende leeromgeving , waarin kinderen vaardigheden ontwikkelen in
betekenisvolle situaties en waarin zij zelf vorm en inhoud geven aan hun eigen leren en leren
reflecteren. (Blz. 104)
4.1.2 diverse factoren bepalen samen het pedagogische klimaat op school en in de groep
Hoofdstuk 1
Observeren heeft verschillende functies
Ontwikkeling volgen
Passende begeleiding
Beeldvorming
Bij beeldvorming van een kind liggen er een aantal valkuilen
Sociaal culturele achtergrond
Emotionele betrokkenheid
Vooroordelen
Projectie
Stemming
Persoonlijke ervaringen
Bij gedrag hebben we de stimulus en de response. De stimulus is wat het gedrag uitlokt en
veroorzaakt. De response is het gevolg van de oorzaak. Welk gedrag gaat dit kind uiten.
Als je het gedrag begrijpt kun je effectief handelen. Waar komt het vandaan, is het normaal gedrag. Je
neemt ook niet alles waar wat de kinderen doen, je selecteert op wat je waarneemt.
Een waarneming heeft verschillende fases
Prikkel – gewaarwording – verwerking – waarneming
Verwachtingen zorgen ervoor dat je dezelfde gewaarwording niet dezelfde betekenis heeft bij ieder
kind. Kijk professioneel naar elk kind.
Observeren doe je doelbewust en planmatig je gaat eerst na om welke reden je gaat observeren. En
dan maak je een plan hoe je gaat observeren. Vooraf leg je vast waar je naar gaat kijken. hierna maak
je een stappenplan
1. Algemene gegevens
2. Aanleiding
3. Observatie en vraagstelling
4. Concreet gedrag
5. Observatie categorieën
6. Observatiemethode
7. Plaats en tijd
Ook heb je verschillende observatie methodes
Participerende observatie
Je doet mee met de activiteit van de kinderen zoals mee voetballen
Niet participerende observaties
Je kijkt op een afstand wat de kinderen doen
Ongestructureerde observatie
Geen regels of afspraken voor de beschrijving van de observaties
Gestructureerde observatie
Vooraf opgestelde regels en afspraken voor het opschrijven van de observaties
Event-sampling: je kijkt naar een bepaalde gebeurtenis
Time-sampling: je kijkt in een bepaalde tijd wat er gebeurd.
, Je hebt verschillende vormen hoe je de observatie beschrijft
Beschrijvende methode
Je schrijft in trefwoorden op wat er gebeurd
Observatieschema
Alleen de gedragskenmerken aan te kruisen. Kant en klare schema’s
Coderingssysteem
Zo hou je het geheim voor andere personen. Je beschrijdt gedragscategorieën met cijfers.
Beoordelingsschaal
Met een cijfer of punt geef je een score voor bepaald gedrag.
Als je dit hebt waargenomen, ga je het verwerking. Je gaat kijken waar het gedrag vandaan komt. Is er
sprake van een leer- of gedragsstoornis. Hoe je bij de feite en noem het kind niet gelijk agressief of
bang. Hierna kun je een handelingsplan gaan maken voor het kind. Je legt het hele observatieproces
vast in een rapportage.
Hoofdstuk 4
In een goed pedagogisch klimaat in de klas worden kinderen positief uitgedaagd en gestimuleerd en
zullen zich in de aanleg aanwezige vermogens verder ontwikkelen.
een kind kan zich alleen ontwikkelen en leren in een omgeving waarin het zich veilig en vertrouwd
voelt. Er wordt rekening gehouden met de basisbehoefte van een kind.
1. Behoefte aan goede relaties
2. Behoefte aan competentie
3. Behoefte aan autonomie
relatie
1. Kinderen ontdekken alleen hun omgeving en ontwikkelen zich als het zich vertrouwd voelt.
Hiervoor is een goede band met de leerling belangrijk. Je werkt aan goede onderlinge relaties
tussen de kinderen en doe je er iets aan als je merkt dat een kind geen contact heeft met de
groep.
competentie
2. Het gevoel dat je iets kan is een basisbehoefte. Complimentjes krijgen stimuleert kinderen
om te leren en er plezier in te hebben. Klieren, concentratie van anderen verstoren, of andere
hun werk verpesten zijn tekenen dat een kind zelfverzekerdheid mist door ‘ik kan het niet
ervaringen’ deze kinderen geef je juist extra positieve ‘ik kan het ervaringen’
autonomie
3. Kinderen willen van nature leren. Probeer de neiging te snel in te grijpen te herkennen en te
onderdrukken. Laat het initiatief bij het kind, en structureer de activiteiten niet teveel.
De drie basisbehoefte kun je koppelen aan drie aspecten van handelen van een leerkracht
Interactie met de klas
De instructie
De klassenorganisatie
Zo schep je een uitdagende leeromgeving , waarin kinderen vaardigheden ontwikkelen in
betekenisvolle situaties en waarin zij zelf vorm en inhoud geven aan hun eigen leren en leren
reflecteren. (Blz. 104)
4.1.2 diverse factoren bepalen samen het pedagogische klimaat op school en in de groep