Leerdoelen:
Vignet A:
- Wanneer is iets een deel en wanneer is het een geheel?
- Wat zorgt ervoor dat je iets als achtergrond ziet?
Vignet B:
- Hoe herkennen we objecten?
Vignet C:
- Welke afwijkingen zijn er in object-en gezichtsherkenning?
Bronnen: Goldstein, Gazzaniga, Blake
Vignet A – Deel of geheel en voor-of achtergrond – Goldstein
Inverse projection problem: het feit dat een bepaald
beeld op de retina kan worden gemaakt door
verschillende objecten.
The gestalt approach to object perception
- Structuralisten: zeiden dat percepties gecreëerd
worden door het combineren van elementen (=
sensaties). Hierdoor ontstaat de perceptie van een
object (som van de sensaties = object). Voorbeeld
figuur 5.9: de punten in de figuur (sensaties) zorgen
samen voor de perceptie van een gezicht.
- Gestaltpsychologen (reactie op Wundt (structuralist): perceptie is niet het resultaat van
een optelsom van sensaties, het geheel verschilt van de som van zijn delen.
- Bewijzen voor de Gestalt Approach (tegen structuralisme):
o Apparent movement (Wertheimer): wanneer twee dezelfde stimuli worden opgelicht
met een juiste timing, nemen we een beweging waar tussen de twee stimuli. Dit is een
ilussie, want er vindt geen daadwerkelijke beweging plaats de stimuli worden gewoon
aan en uit geschakeld.
Dit fenomeen kan niet door sensaties worden verklaard, omdat er geen stimulaties
aanwezig zijn tussen de twee stimuli. Hierdoor zijn er dus geen sensaties die een
verklaring geven voor de beweging.
1
, o
Illusory contours: zie figuur 5.11. In figuur 5.11a zijn de contouren van
een kubus te zien. Deze contouren zijn echter een illusie, omdat ze
niet daadwerkelijk aanwezig zijn in de fysieke stimulus. Onze
perceptie van het ene deel van de stimulus (de contouren) wordt
beïnvloed door de aanwezigheid van een ander deel van de stimulus
(de zwarte cirkels). Dit fenomeen kan ook niet verklaard worden op
de structuralistische manier, omdat structuralisten geen uitleg
kunnen geven over de contouren. De contouren zijn namelijk niet
daadwerkelijk aanwezig, dus kunnen daar geen sensaties vanaf komen.
Intrinsiek: contouren horen bij de figuur zelf.
Extrinsiek: de contouren ontstaan door overlapping.
Laws of perceptual organization:
Groeperen van elementen in een afbeelding om grotere objecten te creëren. Er zijn 6 wetten
die aangeven hoe dit groeperen werkt:
1. Law of pragnanz/good figure/simplicity: centrale wet elk stimuluspatroon wordt gezien
op een manier zodat de structuur zo simpel mogelijk is.
Voorbeeld: olympische figuur hierbij zie je 5 ringen in plaats van 9 aparte vormen.
2. Law of similarity: gelijksoortige dingen worden samen gegroepeerd. Groepering vindt
plaats op basis van kleur, vorm, grootte en oriëntatie. Groepering kan ook plaatsvinden bij
auditieve stimuli.
2