Hoofdstuk 2
Paragraaf 2.1
Geneeskunde en geneeskunst
Geneeskunde kan het beste worden omschreven als de wetenschap die zich bezighoudt met:
- de bouw (anatomie) en de werking (fysiologie) van het menselijk lichaam;
- de oorzaken en de aard van ziekten en de methoden om tot een juiste diagnose te
komen;
- de manieren om ziekten te voorkomen of te genezen.
Geneeskunst is meer dan geneeskunde alleen. Het houdt in feite de wijze van toepassen van
de geneeskunde in. Daarbij komen zaken als intuïtie, het in de vingers hebben van het vak,
het gevoel dat iets goed of juist niet goed is, om de hoek kijken.
Paragraaf 2.1.2 Alternatieve geneeswijzen (plaatsbepaling)
Onder de reguliere geneeskunde wordt verstaan: de gangbare geneeskunde, waarvoor men
aan universiteiten wordt opgeleid, die (ook) in de ziekenhuizen wordt beoefend en waarvoor
de bevoegdheid tot uitoefening wettelijk geregeld is.
alternatieve geneeswijzen
Een kenmerk van deze geneeswijzen is dat de zieke op een geheel andere wijze wordt
benaderd, overeenkomsten met de denkwijzen van de reguliere geneeskunde zijn er vrijwel
niet.
Paragraaf 2.2 Relatie arts-patiënt
vertrouwensrelatie
waarin de patiënt ervan overtuigd moet zijn dat datgene wat door hem aan de arts wordt
medegedeeld niet aan anderen wordt verteld (tenzij met zijn toestemming) en dat de arts
zowel vanuit zijn vakkennis als vanuit medemenselijkheid op de juiste wijze met hem
omgaat.
Bereikbaarheid is een basisvoorwaarde voor het functioneren van de arts. Het is daarom de
taak van de arts te zorgen voor een goede weekend- of nachtdienstwaarneming en bij ziekte
of vakantie voor een vervanger.
Paragraaf 2.3 Het werkterrein van de arts
preventieve geneeskunde
het voorkomen van ziekte door preventie (vaccinaties)
palliatieve geneeskunde
Soms is het moeilijk of onmogelijk curatief te handelen en zijn de maatregelen gericht op het
verlichten van lijden en het zo veel mogelijk bevorderen van de kwaliteit van het leven.
Paragraaf 2.4 Het stellen van de medische diagnose
diagnostisch proces
Het vaststellen van de aard, de ernst en de oorzaak van een ziekte
Daarvoor wordt door de arts gebruikgemaakt van de anamnese, het lichamelijk onderzoek
en aanvullend specifiek onderzoek.
, Paragraaf 2.4.1 Anamnese
De anamnese houdt een gesprek in tussen de arts en de patiënt over de klachten waarmee
de patiënt zich bij de arts presenteert. Het doel van de anamnese is een indruk te krijgen van
wat zich in het lichaam van de patiënt afspeelt om uiteindelijk een medische diagnose te
stellen.
Geadviseerd wordt een aantal regels in acht te nemen:
- houd je aan de feiten en pas op voor subjectieve interpretaties;
- de patiënt mag bij het antwoorden worden begeleid, maar het suggereren van
antwoorden is uit den boze;
- houd de lijn in het oog, maar ga niet overdreven gedetailleerd te werk, want dan zie
je door de bomen het bos niet meer;
- wees steeds selectief, noteer dingen die van belang zijn en ga daar eventueel dieper
op in. Probeer dwaalsporen te vermijden; je mist anders de diagnose.
auto-anamnese
Wanneer een patiënt zelf goed aan het anamnestisch gesprek kan deelnemen.
hetero-anamnese
Soms echter is de patiënt niet in staat zelf betrouwbare informatie te geven, bijvoorbeeld
een klein kind of een patiënt in coma.
1. speciële anamnese; Bij de anamnese vraagt de arts allereerst naar de klachten die
voor de patiënt aanleiding waren de arts te bezoeken.
2. algemene anamnese; Daarna vraagt de arts in algemene zin naar het functioneren
van de belangrijkste orgaanstelsels, zoals ademhaling, bloedsomloop, spijsvertering
en dergelijke.
Vroegere anamnese of medische voorgeschiedenis; Ook wordt geïnformeerd naar
reeds doorgemaakte ziekten, allergieën, medische onderzoeken en behandelingen
familie-anamnese; en welke ziekten in de familie voorkomen
3. Tot slot is het van belang om intoxicaties vast te stellen (geneesmiddelen, roken en
alcohol- of drugsgebruik) en om de voedingsgewoonten van de patiënt in kaart te
brengen.
Paragraaf 2.4.2 Lichamelijk onderzoek.
Dit onderzoek gebeurt met behulp van observatie/inspectie (kijken, ruiken en horen),
auscultatie (luisteren met de stethoscoop), percussie (kloppen) en palpatie (voelen).
Bij het lichamelijk onderzoek hoort ook het vaststellen van lengte, gewicht,
lichaamstemperatuur en de bloeddruk.
Paragraaf 2.1
Geneeskunde en geneeskunst
Geneeskunde kan het beste worden omschreven als de wetenschap die zich bezighoudt met:
- de bouw (anatomie) en de werking (fysiologie) van het menselijk lichaam;
- de oorzaken en de aard van ziekten en de methoden om tot een juiste diagnose te
komen;
- de manieren om ziekten te voorkomen of te genezen.
Geneeskunst is meer dan geneeskunde alleen. Het houdt in feite de wijze van toepassen van
de geneeskunde in. Daarbij komen zaken als intuïtie, het in de vingers hebben van het vak,
het gevoel dat iets goed of juist niet goed is, om de hoek kijken.
Paragraaf 2.1.2 Alternatieve geneeswijzen (plaatsbepaling)
Onder de reguliere geneeskunde wordt verstaan: de gangbare geneeskunde, waarvoor men
aan universiteiten wordt opgeleid, die (ook) in de ziekenhuizen wordt beoefend en waarvoor
de bevoegdheid tot uitoefening wettelijk geregeld is.
alternatieve geneeswijzen
Een kenmerk van deze geneeswijzen is dat de zieke op een geheel andere wijze wordt
benaderd, overeenkomsten met de denkwijzen van de reguliere geneeskunde zijn er vrijwel
niet.
Paragraaf 2.2 Relatie arts-patiënt
vertrouwensrelatie
waarin de patiënt ervan overtuigd moet zijn dat datgene wat door hem aan de arts wordt
medegedeeld niet aan anderen wordt verteld (tenzij met zijn toestemming) en dat de arts
zowel vanuit zijn vakkennis als vanuit medemenselijkheid op de juiste wijze met hem
omgaat.
Bereikbaarheid is een basisvoorwaarde voor het functioneren van de arts. Het is daarom de
taak van de arts te zorgen voor een goede weekend- of nachtdienstwaarneming en bij ziekte
of vakantie voor een vervanger.
Paragraaf 2.3 Het werkterrein van de arts
preventieve geneeskunde
het voorkomen van ziekte door preventie (vaccinaties)
palliatieve geneeskunde
Soms is het moeilijk of onmogelijk curatief te handelen en zijn de maatregelen gericht op het
verlichten van lijden en het zo veel mogelijk bevorderen van de kwaliteit van het leven.
Paragraaf 2.4 Het stellen van de medische diagnose
diagnostisch proces
Het vaststellen van de aard, de ernst en de oorzaak van een ziekte
Daarvoor wordt door de arts gebruikgemaakt van de anamnese, het lichamelijk onderzoek
en aanvullend specifiek onderzoek.
, Paragraaf 2.4.1 Anamnese
De anamnese houdt een gesprek in tussen de arts en de patiënt over de klachten waarmee
de patiënt zich bij de arts presenteert. Het doel van de anamnese is een indruk te krijgen van
wat zich in het lichaam van de patiënt afspeelt om uiteindelijk een medische diagnose te
stellen.
Geadviseerd wordt een aantal regels in acht te nemen:
- houd je aan de feiten en pas op voor subjectieve interpretaties;
- de patiënt mag bij het antwoorden worden begeleid, maar het suggereren van
antwoorden is uit den boze;
- houd de lijn in het oog, maar ga niet overdreven gedetailleerd te werk, want dan zie
je door de bomen het bos niet meer;
- wees steeds selectief, noteer dingen die van belang zijn en ga daar eventueel dieper
op in. Probeer dwaalsporen te vermijden; je mist anders de diagnose.
auto-anamnese
Wanneer een patiënt zelf goed aan het anamnestisch gesprek kan deelnemen.
hetero-anamnese
Soms echter is de patiënt niet in staat zelf betrouwbare informatie te geven, bijvoorbeeld
een klein kind of een patiënt in coma.
1. speciële anamnese; Bij de anamnese vraagt de arts allereerst naar de klachten die
voor de patiënt aanleiding waren de arts te bezoeken.
2. algemene anamnese; Daarna vraagt de arts in algemene zin naar het functioneren
van de belangrijkste orgaanstelsels, zoals ademhaling, bloedsomloop, spijsvertering
en dergelijke.
Vroegere anamnese of medische voorgeschiedenis; Ook wordt geïnformeerd naar
reeds doorgemaakte ziekten, allergieën, medische onderzoeken en behandelingen
familie-anamnese; en welke ziekten in de familie voorkomen
3. Tot slot is het van belang om intoxicaties vast te stellen (geneesmiddelen, roken en
alcohol- of drugsgebruik) en om de voedingsgewoonten van de patiënt in kaart te
brengen.
Paragraaf 2.4.2 Lichamelijk onderzoek.
Dit onderzoek gebeurt met behulp van observatie/inspectie (kijken, ruiken en horen),
auscultatie (luisteren met de stethoscoop), percussie (kloppen) en palpatie (voelen).
Bij het lichamelijk onderzoek hoort ook het vaststellen van lengte, gewicht,
lichaamstemperatuur en de bloeddruk.