1. Local stabilizers
De local stabilizers zijn de stabiliteitsspieren die je nodig hebt om de stabiliteit van de
wervelkolom te behouden.
Voor de cervicale wervelkolom zijn dit de diepe nekflexoren.
Voor de lumbale wervelkolom zijn dit de M. Transversus abdominus en de M. Multifidi.
Bewegingsdysfunctie kan zich uiten als een falen van het lokale of globale
stabiliseringssysteem. Het lokale spiersysteem omvat de diepste lagen van de segmentale
musculatuur die niet significant bijdraagt tot de “range of movement” en die translatie-
rigiditeit kan genereren.
Het global spiersysteem omvat de dynamische musculatuur die concentrische bewegingen en
excentrische bewegingen controleert.
Bewegingsdysfunctie kan lokaal voorkomen als een dysfunctie in de motorische controle van
de diepe segmentale musculatuur resulterend in een slechte controle van de neutrale
gewrichtspositie. Globaal kan de dysfunctie voorkomen als een dysbalans tussen
monoarticulaire stabiliseerspieren en biarticulaire bewegingsspieren. Dit heeft als gevolg:
abnormale “over-pull” of ‘under-pull” van de spieren rond een segment met repercussies op
de gewrichten, de myofasciale structuren en de bezenuwing.
Het Kinetic Control systeem classificeert spieren in local stabilizers en mobilizers, global
stabilizers en mobilizers.
Kinetic control gebruikt vier sleutel principes:
- controle van de neutrale gewrichtspositie door training van lokale stabilisers
- dynamische controle training van de stabiliteits-dysfunctie
- rehablitatie van de globale stabiliers door gebruik te maken van de full-range
mogelijkheden van het gewricht.
- Actieve verlengen of inhiberen van de globale mobilisers.
2. Global stabilizers
Voor de cervicale wervelkolom zijn dit
Voor de lumbale wervelkolom zijn dit de M. obliquus abdominus internus en M. obliquus
abdominus extenus
Global Stabilizers Local Stabilizers
Karakteristieken
- superficiaal; verder van het - diep; dichter bij het bewegingspunt
bewegingspunt - aanhechting aan elke vertebraal segment
- kruist meerder segmenten - controleren beweging in segmenten
- produceert beweging - groter percentage type 1 spiervezels voor
- compressieve lading met sterke spieruithoudingsvermogen
contracties
Lumbaal
- Rectus Abdominis - Transversus abdominus
- External and Internal Obliquus - Multifidus
- Quadratus Lumborum (lateral portion) - Quadratus Lumborum (deep portion)
- Erector spinea - Deep rotators
- Iliopsoas
Cervicaal
- Sternocleidomastoideus - Rectus capitis anterior
- Scalene - Rectus capitis lateralis
,- Levator Scapulae - Longus colli
- Upper Trapezius
- Erector Spinea
Kisner & Colby, tabel 14.2 Stabilizing Features of muscles controlling the spine.
3. Local mobilizers
4. Global mobilizers
Voor de lumbale wervelkolom is dit de M. rectus abdominus
5. Poorttheorie
Gate-control-theorie
Er vindt neuronenschakeling in de achterhoorn plaats. In de achterhoorn vindt een echte
informatieverwerking in de zin van ‘afweging’ plaats.
1. Bepaalde C- en A-vezels zijn specifiek nociceptief, andere vezels worden ‘meegeprikkeld’
en dragen daarmee bij aan de ‘kleur’ van pijngewaarwording
2. Neuronen in de achterhoorn die geactiveerd worden door nociceptieve input kunnen ook
beïnvloed worden door activiteit in dikke, niet-nociceptieve vezels. Deze invloed kan
inhiberend zijn.
3. Ook activiteit uit collateralen van lange-baan-systemen heeft een modulerende invloed
op de transmissie in de achterhoorn.
De achterhoorn is een ‘beslissingsstation’.
De poorttheorie (Engels: Gate Control Theory) is een begrip uit de pijnbestrijding. Deze
theorie postuleert dat het ruggenmerg niet alleen schadelijke prikkels doorgeeft aan het
centrale zenuwstelsel, waar pijngewaarwording plaatsvindt, maar dat datzelfde centrale
zenuwstelsel in staat is de pijnprikkel te moduleren. Dat wil zeggen dat het centrale
zenuwstelsel als het ware een poort kan open- en dichtzetten om pijn in meer of mindere
mate door te laten naar het centrale zenuwstelsel.
De A-delta- en C-vezels lopen via de perifere sensibele zenuwen naar de achterhoorn van het
ruggenmerg, waar er een selectie en beïnvloeding plaatsvindt. Hiervoor zorgen tal van
neuronen in de grijze massa van de achterhoofd.
Door deze intemeuronen komt het dat er een pijnstimulatie ofwel een pijnvermindering zal
plaatsvinden. De pijngewaarwording is geen 'rechtlijnige' functie van de sensorische input.
Er treedt namelijk een zekere mate van wisselwerking op tussen de via de dikke A-beta-vezels
aangevoerde impulsen (tast-, druk- en vibratiezin) en die in de dunne A-delta- en C-vezels
(pijn). Hierdoor wordt de impuls geleiding in de opstijgende verbindingen gewijzigd en de
pijngewaarwording beïnvloed (= poorttheorie).
Wanneer de impulsgeleiding in de aanvoerende (afferente) zenuwvezels is verstoord, ontstaat
een speciale soort pijn" deafferentiatiepijn ofwel low imput pain. Een van de bekendste
voorbeelden hiervan is fantoompijn.
,Afbeelding :
De Poorttheorie
De poorttheorie van Melzack en Wall (1965) stelt dat informatie die het gevolg is van
schadelijke prikkeling verandert wanneer deze van perifere zenuwvezels naar zenuwvezels in
het ruggenmerg overgedragen wordt.
Dit mechanisme wordt door Melzack en Wall als een "poort" beschreven.
Deze poort zou zich in de achterhoorn van het ruggenmerg bevinden.
Wanneer de poort open staat, bereikt de informatie de hersenen.
Bij een gedeeltelijk of geheel gesloten poort bereikt minder of in het geheel geen informatie
de hersenen.
De instelling van de poort en daarmee de mate waarin pijnimpulsen de hersenschors
bereiken hangt af van het evenwicht in prikkels tussen de grote en kleine afferente
zenuwvezels, en van de efferente zenuwvezels (= afdalende vezels van de hoger gelegen
centra, zie verder).
Als het systeem van dikke (A-beta) vezels wordt gestimuleerd (b.v. wrijven over een
beschadigd lichaamsdeel), vindt inhibitie van verdere transmissie plaats en wordt minder pijn
gevoeld.
, Ook activiteit in het centraal zenuwstelsel kan de overdracht van informatie zowel faciliteren
als inhiberen. Bijvoorbeeld bij een verhoogd angstniveau wordt pijn sterker ervaren.
Bij een sportwedstrijd kan het echter zo zijn dat men geen pijn voelt bij verwonding.
Dit kan o.a. toegeschreven worden aan het inhiberend effect van andere hoger gelegen
centra waardoor de poort gesloten wordt.
Dus wanneer weefselbeschadiging optreedt, wordt pijn door dunne vezels gegenereerd.
De transmissie in de kleine vezels kan gemoduleerd worden doordat aangrenzende dikke
vezels (A- beta) inhiberende cellen in de substantie gelatinosa in de achterhoorn van het
ruggenmerg activeren.
Dit mechanisme werd door Melzack en Wall als een poort beschreven.
M.a.w. pijnbeheersing kan bereikt worden door het invoeren van tast- en drukprikkels
waardoor de poort zich kan sluiten voor de waarneming van nociceptieve prikkels.
Daarnaast zouden centrale controlesystemen de poort moduleren.
6. Wat is pijn
WAT IS PIJN ?
Inleiding
De meest geciteerde definitie van pijn is:
"pijn is een onaangename sensorische en emotionele gewaarwording die verband houdt met
feitelijke of mogelijke weefselschade of wordt beschreven in termen van weefselschade. Pijn
is altijd subjectief. Pijn is emotie. Ieder individu leert het woord pijn te gebruiken op basis van
ervaringen met weefselschade vroeg in het leven.
Pijn is zowel een gewaarwording (de pijn wordt veroorzaakt door een prikkel die men gewaar
wordt) als een emotionele ervaring (het onaangenaam gevoel waar bepaalde gedragingen uit
voortvloeien).
Er bestaat aldus een sensorische, zintuiglijke functie maar ook een. emotionele component.
Acute pijn roept een aantal fysiologische reacties en psychologische mechanismen op die
veelal bij chronische pijn niet meer aanwezig zijn.
Het unieke van pijn is wel dat ze ons lichaam kan beschermen tegen ernstige beschadiging.
Zijn hierin defecten (b.v. congenitaal) dan kan het gebeuren dat de persoon ernstig verwond
kan geraken (b.v. brandwonden, fracturen) en dit leidt wel eens tot desintegratie van dit
individu in de maatschappij.
Pijn is een abstract gegeven, het is een persoonlijk gevoel.
"Pijn is wat de patiënt zegt dat het is en pijn is zo erg als de patiënt zegt dat het is".
Hoe kun je pijn meten?
Met een VAS-schaal. Dit regelmatig bij dezelfde patiënt toepassen om te meten of de pijn
verbeterd, gelijk blijft of verergert. Pijn meten blijft subjectief.
Pijnmodel van Loeser
Pijngedrag vermijden
bewegingen of doorlopen
met pijn