MB
1. Gegeven: Een 35-jarigeman is een jaar geleden aan een nekhernia A
geopereerd waarbij een deel van de nucleus pulposis is weggenomen. Er is
verder sprake van een normale anatomie.
Vraag: Wat is het te verwachten effect op de beweeglijkheid van de
wervelkolom?
a. Een afname van de beweeglijkheid op het geopereerde niveau,
gecompenseerd door een toename van de beweeglijkheid op zowel
hogere als lagere cervicale niveaus.
b. Een toename van de beweeglijkheid op het geopereerde niveau,
gecompenseerd door een afname van de beweeglijkheid op zowel
hogere als lagere cervicale niveaus.
c. Geen invloed op de beweeglijkheid op het geopereerde niveau
omdat deze door de facetgewrichten wordt bepaald en niet door de
discus
2. Bij contractie van de rechter m. Sternocleidomastoideus beweegt het hoofd B
als volgt:
a. Anteflexie, lateroflexie naar rechts, rotatie naar rechts
b. Retroflexie, lateroflexie naar rechts, rotatie naar links
c. Anteflexie, lateroflexie naar rechts, rotatie naar links
3. Het fibreuze kapsel van een synoviaal gewricht bevindt zich: B
a. Aan de binnenzijde van de synoviale membraan
b. Tussen de synoviale membraan en de ligamenten die het gewricht
versterken.
c. Aan de randen van het gewrichtskraakbeen
4. Substance P. C
a. Vermindert de neurogene ontstekingsreactie bij weefselschade
b. Wordt geproduceerd aan de uiteinden van C-vezels
c. Speelt een rol bij het gevoeliger maken van een neuron voor
pijnprikkels
5. De glycosaminoglycanen A
a. Vergroten de viscositeit van de synovia
b. Worden geproduceerd door het gewrichtskraakbeen
c. Vormen een vette substantie die zorgt voor smering van synoviale
gewrichten
6. Het ligamentum glenohumerale inferior: A
a. Voorkomt een te sterke abductie van de humerus
b. Voorkomt een te sterke adductie van de humerus
c. Remt de retroversie van de humerus
7. Patïenten met een frozen shoulder: BXC
a. Hebben vrijwel altijd een duidelijk schouder- of bovenarmtrauma in
hun voorgeschiedenis
b. Kunnen binnen het natuurlijk beloop van de lachten, de
“frozen”fase voorkomen door dagelijks oefeningen te doen om de
Range of Motion te onderhouden
c. Hebben een goede prognose voor wat betreft het functieherstel
van de schouder, zowel met als zonder fysiotherapeutische
begeleiding
, 8. De synoviale membraan van een gewricht: C
a. Is niet gevasculariseerd omdat anders makkelijk
gewrichtsbloedingen kunnen ontstaan bij belaste bewegingen
b. Heeft geen bloedvaten nodig om synovia te produceren
c. Bevat behalve losmazig bindweefsel ook epitheel en bloedvaten
voor de synoviaproductie
9. De viscositeit van de synovia: C XB
a. Is onafhankelijk van de temperatuur binnen een gewricht
b. Is onder andere afhankelijk van de glycosaminoglycanen
samenstelling
c. Wordt beïnvloed door de hoeveelheid en samenstelling van de in
het bloed circulerende glycosamonoglycanen
10. Gegeven: Een factor waarvan bekend is dat deze een rol speelt bij het C
onstaan van schouder impingement is de individuele anatomie.
Vraag: Welke van de onderstaande 3 typen scapulae heeft op grond van de
anatomie de meeste kans op het ontstaan van een impingement?
a. Type 1
b. Type 2
c. Type 3
11. Het risico op het ontstaan van een “frozen schoulder” is groter dan
gemiddeld bij iemand die:
* antwoorden ontbreken
12. * Vraag ontbreekt
13. Ligamenten bevatten: A
a. Parallel liggende collagene vezels en een geringe hoeveelheid
elastische vezels
b. Voornamelijk parallel georiënteerde elastische vezels en een
geringe hoeveelheid collagene vezels
c. Een combinatie van ongeveer eventueel elastische als collagene
vezels die beide parallel gerangschikt zijn
14. Verminderde bewegingsuitslagen van de cervicale wervelkolom bij een B
patiënt tussen de 50 en 60 jaar wordt frequent veroorzaakt door:
a. Cervicale artrose
b. Osteoporose
c. Zowel a als b is een veel voorkomende oorzaak
15. Histamine is een ontstekingsmediator die: C
a. Vaatvernauwing veroorzaakt
b. De prikkeldrempel van A-delta vezels verhoogt
c. Vaatverwijding veroorzaakt
16. Als nociceptieve informatie het ruggenmerg bereikt zal het: CXB
a. Een motorische reflex uitlokken
b. De “arousal” op het ruggenmergniveau waar het signaal
binnenkomt verhogen
c. Dit signaal in vrijwel alle gevallen doorgegeven aan de motorische
component waar een reactie wordt georganiseerd