Voedingsstoffen
Overal in de winkels kan je voedingsmiddelen kopen. Al deze voedingsmiddelen bevatten maar 6
voedingsstoffen. Voedingsstoffen zijn stoffen die het lichaam gebruikt als brandstoffen, bouwstoffen
of hulpstoffen ter ondersteuning van de stofwisseling. De voedingsstoffen van het menselijk lichaam
zijn:
- Suikers
- Vetten
- Eiwitten
- Mineralen
- Vitaminen
- Water
Voedingsstoffen Functies in het lichaam
Suikers Brandstoffen, in mindere mate: bouwstoffen
Vetten (lipiden) Bouwstoffen en brandstoffen, isolatie,
oplosmiddel voor bepaalde vitaminen
Eiwitten (proteïne) Bouwstoffen, hulpstoffen, in noodgevallen:
brandstoffen
Mineralen (zouten en sporenelementen Bouwstoffen en hulpstoffen
Vitaminen Hulpstoffen
Water Oplosmiddel, transport, waterbuffer, steunstof
en vulmiddel
Suikers
Suikers (koolhydraten) zijn stoffen die bestaan uit koolstofatomen (C), waterstofatomen (H), en
zuurstofatomen (O). Suikers zijn de belangrijkste energiebronnen voor het lichaam. Naast de functie
van brandstof hebben de suikers ook nog de functie om te helpen bij de aanmaak van belangrijke
moleculen zoals DNA en RNA.
Suikers worden ingedeeld aan de hand van de lengte van het molecuul. Er zijn 3 groepen:
- Enkelvoudige suikers
- Tweevoudige suikers
- Meervoudige suikers
Enkelvoudige suikers
Enkelvoudige suikers (monosachariden) zijn de kleinste suikers die er zijn. Een enkelvoudige suiker
bestaat uit 1 ringvormig molecuul. Voorbeelden van enkelvoudige suikers zijn:
- Glucose
- Fructose
- Galactose
Alle suikers in het lichaam worden uiteindelijk zo klein gemaakt als enkelvoudige suikers. Deze
kunnen namelijk door de darmwand naar het bloed getransporteerd worden.
Tweevoudige suikers
Tweevoudige suikers (disachariden) zijn opgebouwd uit 2 aan elkaar gekoppelde enkelvoudige
suikers. Voorbeelden van tweevoudige suikers zijn:
- Maltose
- Lactose
- Sacharose
,Tijdens de spijsvertering worden deze suikers omgezet in enkelvoudige suikers, zodat ze kunnen
worden afgegeven aan het bloed.
Meervoudige suikers
Meervoudige suikers (polysachariden) bestaan uit veel tot erg veel aan elkaar gekoppelde
enkelvoudige suikers. Voorbeelden van meervoudige suikers:
- Zetmeel (plantaardig)
- Cellulose (plantaardig) stimulering darmbeweging
- Glycogeen
Afbraak suikers
De meervoudige en tweevoudige suikers worden in de spijsvertering afgebroken tot enkelvoudige
suikers. Zetmeel kan bijvoorbeeld op 3 verschillende manieren worden bewerkt:
- Koken je tast de structuur van de aardappel aan maar het zetmeel wordt niet afgebroken
- Mechanisch verkleinen dit doe je door kauwen en te vermalen met je gebit. Hierdoor
verdwijnt de aardappel structuur helemaal, maar het zetmeel is nog steeds niet verdwenen.
- Chemische afbraak spijsverteringsenzymen werken in op de molecuulstructuur van het
zetmeel. Nu pas wordt de zetmeelstructuur zelf aangepakt.
De chemische zetmeelafbraak gebeurt in twee stappen. Elke stap vereist een ander enzym. Het
enzym amylase knipt de tweevoudige suikers in stukjes. Dat zijn maltose moleculen. Vervolgens in het
enzym maltase actief. Maltase splits het weer verder op in glucose.
Er zitten ook nog andere tweevoudige suikers in je bloed zoals lactose en sacharose. Hiervoor worden
andere enzymen gebruikt. Dat zijn lactase en sacharase.
Cellulose kan door de mens niet worden verteerd. Het vormt de vezels in de voeding. Vezels zijn
belangrijk voor de werking van de darmen. Ze worden met de ontlasting verwijderd uit het lichaam.
Glycogeen zit in de lever en in de skeletspieren en dient als glucoseopslag.
Vetten
Vetten (lipiden) bestaan net als suikers uit koolstofatomen, wateratomen en zuurstofatomen. Vetten
hebben de gemeenschappelijke kenmerk dat het niet kan oplossen in water. Vetten hebben
verschillende functies:
- Vetten vormen een belangrijke bouwstof voor alle cellen
- Vet heeft een hoge energieke waarde en is een belangrijke brandstof
- Teveel vet wordt opgeslagen
- Vet dient als isolatiemateriaal
- Vetafzettingen dienen bij bepaalde organen als stootkussen
- Vetten zijn onmisbaar bij het vervoer van bepaalde vitamine
Vetten worden ingedeeld op grond van molecuulstructuur:
- Triglyceriden
- Fosfolipiden
- Steroïden
Tryglyceriden
Tryglyceriden bestaat uit 1 molecuul glycerol en 3 verzuurmoleculen. De bouw van de vetzuren
bepaalt met welke vet je te maken hebt. Je hebt verzadigde en onverzadigde vetten. Verzadigde
vetten zijn bij kamertempratuur gestold. Onverzadigde vetten zijn meestal vloeibaar. Je noemt zo ook
wel oliën.
,Fosfolipiden
Fosfolipiden zijn vetten waarbij aan het glycerol behalve vetzuren ook een fosfaatmolecuul vastzit.
Aan de ene kant zitten de vetzuren. Die zijn waterafstotend, en hiermee de hydrofobe kant. Aan de
andere kant zit het fosfaatmolecuul. Deze kant is hydrofiel. Deze keert zich naar de kant waar het
water is.
Steroïden
Steroïden zijn grote vetten die hun ruimtelijke structuur afwijken van de andere vetten. Een goed
voorbeeld is cholesterol. Deze stof vormt een belangrijk bestanddeel van celmembranen.
Afbraak van vetten
Vetten worden in het darmkanaal helemaal afgebroken tot de moleculen waaruit ze bestaan. Dit zijn
glycerol en vetzuren. Voor de afbraak is maar 1 enzym nodig. Lipase splitst vetten in glycerol en
vetzuren. Alle vetten die kleiner zijn dan 12 koolstofatomen kunnen zo al door de darmwand heen.
Dan hoeven ze dus niet meer afgebroken worden tot kleinere vetten.
Eiwitten
Eiwitten (proteïnen) spelen een onmisbare rol bij alle activiteiten en functies van het lichaam. Er
moet voldoende in je voedsel zitten, want je kan eiwitten niet opslaan. Eiwitten bevatten
koolstofatomen, wateratomen, zuurstofatomen en stikstofatomen (N). Er bestaan honderdduizend
verschillende soorten eiwitten, met zeer uitlopende functies. Voorbeelden hiervan zijn:
- Het geven van structuur dienen als bouwstof
- Versnellen van chemische omzettingen enzymen
- Transsport via het celmembraan
- Informatie doorgeven
- Spierwerking actine en myosine
- Bescherming antistoffen en stollingsfactoren
- Energiebron alleen in noodgevallen
Eiwitten zijn ketens van aan elkaar gekoppelde aminozuren. Hoewel er duizenden verschillende
soorten eiwitten zijn, zijn er maar 20 verschillende soorten aminozuren. Deze worden in eindeloze
variaties aan elkaar gekoppeld. De koppeling tussen twee aminozuren het de peptidebinding.
Eiwitten worden ingedeeld op basis van het aantal aminozuren waaruit ze bestaan. Er zijn 3 grote
groepen:
- Dipeptiden bestaande uit twee aminozuren
- Kleine polypeptiden kleine eiwitten met minder dan 100 aminozuren
- Grote polypeptiden bevatten 100 tot 10000 aminozuren
Afbraak eiwitten
In het darmkanaal worden eiwitten tot aminozuren afgebroken. Enzymen die eiwitten afbreken
worden proteasen genoemd. Voorbeelden hiervan zijn: pepsine, trypsine en dipeptidase. Aminozuren
kunnen via de darmwand in het bloed worden opgenomen.
Mineralen
Mineralen vormen onmisbare bestanddelen van het voedsel. Dit zijn anorganische stoffen. Deze
komen oorspronkelijk uit de niet-levende structuur. Ze kunnen niet door organisme gemaakt worden.
Dit is in tegenstelling tot organische stoffen.
Tot de mineralen behoren zouten en sporenelementen.
, Zouten
Zouten zijn anorganische verbindingen. Ze hebben de gemeenschappelijke eigenschap dat ze in water
op kunnen lossen. Ze veranderen dan in positief en negatief geladen ionen. De opgeloste zouten
worden via de darmen in het bloed opgenomen. Keukenzout komt het meeste voor in het
lichaamsvocht.
Bepaalde zouten zijn belangrijk voor handhaving van de osmotische waarde en de zuurgraad van het
bloed. Andere zouten worden ingebouwd in weefsels.
Voorbeelden van zouten:
- Keukenzout
- Kalium
- Calcium
- Magnesium
- IJzer
Sporenelementen
Sporenelementen zijn chemische elementen, die veel kleinere hoeveelheden nodig zijn dan zouten.
De meeste sporenelementen zijn metalen. Ze worden onder andere ingebouwd in hormonen,
vitaminen en enzymen.
Voorbeelden van sporenelementen zijn:
- Koper
- Aluminium
- Zink
- Chroom
- Mangaan
- Fluor
- Jodium
Vitaminen
Vitaminen zijn complexe organische verbindingen die onmisbaar zijn voor de celstofwisseling. Het
lichaam kan de meeste vitaminen niet zelf maken, met uitzondering van vitamine D en vitamine K.
Op grond van hun oplosbaarheid worden vitaminen in twee groepen verdeeld:
- De in vet oplosbare vitaminen
- De in wateroplosbare vitaminen
In vet oplosbare vitaminen
In vet oplosbare vitaminen kunnen niet in water oplossen, maar wel in vet. Ze kunnen niet zomaar
vanuit de darm in het bloed worden opgenomen, want dat is te waterig. Er is altijd vet nodig in het
lichaam. De vitaminen lossen daarin op en samen met het vetdeeltje komen ze in het bloed terecht.
Het gaat om de vitaminen A, D, E, en K.
In wateroplosbare vitaminen
In wateroplosbare vitaminen kunnen in het bloed worden opgenomen, dat wil zeggen opgelost in
water. De vitaminen B en C zijn in wateroplosbaar.
Water
Normaal gesproken heb je per dag ongeveer 2,5 liter water nodig. Je lichaam bestaat voor ongeveer
driekwart uit water. Dit is dan ook de belangrijkste bouwstof van het lichaam. Daarnaast is het een
belangrijk oplosmiddel, transportmiddel en als warmtebuffer.
Met urine, ontlasting en door verdamping raak je ongeveer 2,5 liter kwijt per etmaal. Daarom moet je
de vochtbalans weer aanvullen. Het lichaam is niet in staat om waterreserves aan te leggen. Als je
water verliest moet je dat binnen 24 uur weer aanvullen. Anders raakt de vochtbalans verstoord.
Overal in de winkels kan je voedingsmiddelen kopen. Al deze voedingsmiddelen bevatten maar 6
voedingsstoffen. Voedingsstoffen zijn stoffen die het lichaam gebruikt als brandstoffen, bouwstoffen
of hulpstoffen ter ondersteuning van de stofwisseling. De voedingsstoffen van het menselijk lichaam
zijn:
- Suikers
- Vetten
- Eiwitten
- Mineralen
- Vitaminen
- Water
Voedingsstoffen Functies in het lichaam
Suikers Brandstoffen, in mindere mate: bouwstoffen
Vetten (lipiden) Bouwstoffen en brandstoffen, isolatie,
oplosmiddel voor bepaalde vitaminen
Eiwitten (proteïne) Bouwstoffen, hulpstoffen, in noodgevallen:
brandstoffen
Mineralen (zouten en sporenelementen Bouwstoffen en hulpstoffen
Vitaminen Hulpstoffen
Water Oplosmiddel, transport, waterbuffer, steunstof
en vulmiddel
Suikers
Suikers (koolhydraten) zijn stoffen die bestaan uit koolstofatomen (C), waterstofatomen (H), en
zuurstofatomen (O). Suikers zijn de belangrijkste energiebronnen voor het lichaam. Naast de functie
van brandstof hebben de suikers ook nog de functie om te helpen bij de aanmaak van belangrijke
moleculen zoals DNA en RNA.
Suikers worden ingedeeld aan de hand van de lengte van het molecuul. Er zijn 3 groepen:
- Enkelvoudige suikers
- Tweevoudige suikers
- Meervoudige suikers
Enkelvoudige suikers
Enkelvoudige suikers (monosachariden) zijn de kleinste suikers die er zijn. Een enkelvoudige suiker
bestaat uit 1 ringvormig molecuul. Voorbeelden van enkelvoudige suikers zijn:
- Glucose
- Fructose
- Galactose
Alle suikers in het lichaam worden uiteindelijk zo klein gemaakt als enkelvoudige suikers. Deze
kunnen namelijk door de darmwand naar het bloed getransporteerd worden.
Tweevoudige suikers
Tweevoudige suikers (disachariden) zijn opgebouwd uit 2 aan elkaar gekoppelde enkelvoudige
suikers. Voorbeelden van tweevoudige suikers zijn:
- Maltose
- Lactose
- Sacharose
,Tijdens de spijsvertering worden deze suikers omgezet in enkelvoudige suikers, zodat ze kunnen
worden afgegeven aan het bloed.
Meervoudige suikers
Meervoudige suikers (polysachariden) bestaan uit veel tot erg veel aan elkaar gekoppelde
enkelvoudige suikers. Voorbeelden van meervoudige suikers:
- Zetmeel (plantaardig)
- Cellulose (plantaardig) stimulering darmbeweging
- Glycogeen
Afbraak suikers
De meervoudige en tweevoudige suikers worden in de spijsvertering afgebroken tot enkelvoudige
suikers. Zetmeel kan bijvoorbeeld op 3 verschillende manieren worden bewerkt:
- Koken je tast de structuur van de aardappel aan maar het zetmeel wordt niet afgebroken
- Mechanisch verkleinen dit doe je door kauwen en te vermalen met je gebit. Hierdoor
verdwijnt de aardappel structuur helemaal, maar het zetmeel is nog steeds niet verdwenen.
- Chemische afbraak spijsverteringsenzymen werken in op de molecuulstructuur van het
zetmeel. Nu pas wordt de zetmeelstructuur zelf aangepakt.
De chemische zetmeelafbraak gebeurt in twee stappen. Elke stap vereist een ander enzym. Het
enzym amylase knipt de tweevoudige suikers in stukjes. Dat zijn maltose moleculen. Vervolgens in het
enzym maltase actief. Maltase splits het weer verder op in glucose.
Er zitten ook nog andere tweevoudige suikers in je bloed zoals lactose en sacharose. Hiervoor worden
andere enzymen gebruikt. Dat zijn lactase en sacharase.
Cellulose kan door de mens niet worden verteerd. Het vormt de vezels in de voeding. Vezels zijn
belangrijk voor de werking van de darmen. Ze worden met de ontlasting verwijderd uit het lichaam.
Glycogeen zit in de lever en in de skeletspieren en dient als glucoseopslag.
Vetten
Vetten (lipiden) bestaan net als suikers uit koolstofatomen, wateratomen en zuurstofatomen. Vetten
hebben de gemeenschappelijke kenmerk dat het niet kan oplossen in water. Vetten hebben
verschillende functies:
- Vetten vormen een belangrijke bouwstof voor alle cellen
- Vet heeft een hoge energieke waarde en is een belangrijke brandstof
- Teveel vet wordt opgeslagen
- Vet dient als isolatiemateriaal
- Vetafzettingen dienen bij bepaalde organen als stootkussen
- Vetten zijn onmisbaar bij het vervoer van bepaalde vitamine
Vetten worden ingedeeld op grond van molecuulstructuur:
- Triglyceriden
- Fosfolipiden
- Steroïden
Tryglyceriden
Tryglyceriden bestaat uit 1 molecuul glycerol en 3 verzuurmoleculen. De bouw van de vetzuren
bepaalt met welke vet je te maken hebt. Je hebt verzadigde en onverzadigde vetten. Verzadigde
vetten zijn bij kamertempratuur gestold. Onverzadigde vetten zijn meestal vloeibaar. Je noemt zo ook
wel oliën.
,Fosfolipiden
Fosfolipiden zijn vetten waarbij aan het glycerol behalve vetzuren ook een fosfaatmolecuul vastzit.
Aan de ene kant zitten de vetzuren. Die zijn waterafstotend, en hiermee de hydrofobe kant. Aan de
andere kant zit het fosfaatmolecuul. Deze kant is hydrofiel. Deze keert zich naar de kant waar het
water is.
Steroïden
Steroïden zijn grote vetten die hun ruimtelijke structuur afwijken van de andere vetten. Een goed
voorbeeld is cholesterol. Deze stof vormt een belangrijk bestanddeel van celmembranen.
Afbraak van vetten
Vetten worden in het darmkanaal helemaal afgebroken tot de moleculen waaruit ze bestaan. Dit zijn
glycerol en vetzuren. Voor de afbraak is maar 1 enzym nodig. Lipase splitst vetten in glycerol en
vetzuren. Alle vetten die kleiner zijn dan 12 koolstofatomen kunnen zo al door de darmwand heen.
Dan hoeven ze dus niet meer afgebroken worden tot kleinere vetten.
Eiwitten
Eiwitten (proteïnen) spelen een onmisbare rol bij alle activiteiten en functies van het lichaam. Er
moet voldoende in je voedsel zitten, want je kan eiwitten niet opslaan. Eiwitten bevatten
koolstofatomen, wateratomen, zuurstofatomen en stikstofatomen (N). Er bestaan honderdduizend
verschillende soorten eiwitten, met zeer uitlopende functies. Voorbeelden hiervan zijn:
- Het geven van structuur dienen als bouwstof
- Versnellen van chemische omzettingen enzymen
- Transsport via het celmembraan
- Informatie doorgeven
- Spierwerking actine en myosine
- Bescherming antistoffen en stollingsfactoren
- Energiebron alleen in noodgevallen
Eiwitten zijn ketens van aan elkaar gekoppelde aminozuren. Hoewel er duizenden verschillende
soorten eiwitten zijn, zijn er maar 20 verschillende soorten aminozuren. Deze worden in eindeloze
variaties aan elkaar gekoppeld. De koppeling tussen twee aminozuren het de peptidebinding.
Eiwitten worden ingedeeld op basis van het aantal aminozuren waaruit ze bestaan. Er zijn 3 grote
groepen:
- Dipeptiden bestaande uit twee aminozuren
- Kleine polypeptiden kleine eiwitten met minder dan 100 aminozuren
- Grote polypeptiden bevatten 100 tot 10000 aminozuren
Afbraak eiwitten
In het darmkanaal worden eiwitten tot aminozuren afgebroken. Enzymen die eiwitten afbreken
worden proteasen genoemd. Voorbeelden hiervan zijn: pepsine, trypsine en dipeptidase. Aminozuren
kunnen via de darmwand in het bloed worden opgenomen.
Mineralen
Mineralen vormen onmisbare bestanddelen van het voedsel. Dit zijn anorganische stoffen. Deze
komen oorspronkelijk uit de niet-levende structuur. Ze kunnen niet door organisme gemaakt worden.
Dit is in tegenstelling tot organische stoffen.
Tot de mineralen behoren zouten en sporenelementen.
, Zouten
Zouten zijn anorganische verbindingen. Ze hebben de gemeenschappelijke eigenschap dat ze in water
op kunnen lossen. Ze veranderen dan in positief en negatief geladen ionen. De opgeloste zouten
worden via de darmen in het bloed opgenomen. Keukenzout komt het meeste voor in het
lichaamsvocht.
Bepaalde zouten zijn belangrijk voor handhaving van de osmotische waarde en de zuurgraad van het
bloed. Andere zouten worden ingebouwd in weefsels.
Voorbeelden van zouten:
- Keukenzout
- Kalium
- Calcium
- Magnesium
- IJzer
Sporenelementen
Sporenelementen zijn chemische elementen, die veel kleinere hoeveelheden nodig zijn dan zouten.
De meeste sporenelementen zijn metalen. Ze worden onder andere ingebouwd in hormonen,
vitaminen en enzymen.
Voorbeelden van sporenelementen zijn:
- Koper
- Aluminium
- Zink
- Chroom
- Mangaan
- Fluor
- Jodium
Vitaminen
Vitaminen zijn complexe organische verbindingen die onmisbaar zijn voor de celstofwisseling. Het
lichaam kan de meeste vitaminen niet zelf maken, met uitzondering van vitamine D en vitamine K.
Op grond van hun oplosbaarheid worden vitaminen in twee groepen verdeeld:
- De in vet oplosbare vitaminen
- De in wateroplosbare vitaminen
In vet oplosbare vitaminen
In vet oplosbare vitaminen kunnen niet in water oplossen, maar wel in vet. Ze kunnen niet zomaar
vanuit de darm in het bloed worden opgenomen, want dat is te waterig. Er is altijd vet nodig in het
lichaam. De vitaminen lossen daarin op en samen met het vetdeeltje komen ze in het bloed terecht.
Het gaat om de vitaminen A, D, E, en K.
In wateroplosbare vitaminen
In wateroplosbare vitaminen kunnen in het bloed worden opgenomen, dat wil zeggen opgelost in
water. De vitaminen B en C zijn in wateroplosbaar.
Water
Normaal gesproken heb je per dag ongeveer 2,5 liter water nodig. Je lichaam bestaat voor ongeveer
driekwart uit water. Dit is dan ook de belangrijkste bouwstof van het lichaam. Daarnaast is het een
belangrijk oplosmiddel, transportmiddel en als warmtebuffer.
Met urine, ontlasting en door verdamping raak je ongeveer 2,5 liter kwijt per etmaal. Daarom moet je
de vochtbalans weer aanvullen. Het lichaam is niet in staat om waterreserves aan te leggen. Als je
water verliest moet je dat binnen 24 uur weer aanvullen. Anders raakt de vochtbalans verstoord.