5.1 Machten van tien en significante cijfers
wetenschappelijke notatie: meetwaarden in machten van tien
significante cijfers: cijfers die betekenis hebben voor de nauwkeurigheid van de meting
(nullen aan het einde tellen wel mee, nullen voor het cijfer niet!)
Regels bij het rekenen met meetwaarden:
1) het antwoord van een vermenigvuldiging of deling bevat net zoveel significante cijfers als de
meetwaarde met het kleinst aantal cijfers.
2) bij het optellen en aftrekken geef je de uitkomst op in het minste aantal decimalen.
5.2 Eenheden
Mg = mm kg = km
g =m
ML = cm3
L = dm3
6.1 Zouten en zoutformules
zie schema in het boek
4.1 reactievergelijkingen
reactieschema -> schrijf je voor de pijl de formules op van de reactanten en achter de pijl de formules
van de reactieproducten. Achter de formules schrijf je de faseaanduidingen:
- vaste stof (s)
- vloeistof (l)
- gas (g)
- opgelost in water (aq)
reactievergelijking -> hierbij zorg je er door het plaatsen van coëfficiënten voor, dat er van ieder
atoomsoort zowel voor als achter de pijl evenveel deeltjes staan (deze is dan kloppend)
5.3 Atoommassa en molecuulmassa
Een atoom is een heel klein deeltje. Een waterstofatoom is het kleinst en heeft de kleinste massa. Er
is een eenheid voor de massa: de atomaire massa-eenheid -> wordt aangegeven met ‘u’
De massa van een atoom, de atoommassa, geef j eop met de eenheid u
(de atoommassa van alle atomen zijn te vinden in tabel 25 of 99 van de Binas)
Een molecuul bestaat uit atomen. De molecuulmassa is gelijk aan de som van de massa’s van atomen.