Proza-analyse: 11,13,14
11: het vertellen van verhalen
Mensen vertellen voortdurend verhalen over iets wat ze zelf hebben verzonnen,
meegemaakt of via de media of andere bronnen hebben vernomen. Zonder
het zelf in de gaten te hebben, maken we daarbij gebruik van allerlei
verhaaltechnieken. Dit geldt ook voor de mensen die zich aan de feiten moeten
houden. → Kennelijk hebben we verhalen nodig om werkelijkheid, ook onszelf,
beter te kunnen begrijpen.
Verhaaltheorie: Hoe meer je weet over bijvoorbeeld muziek, mensen of
literatuur, hoe meer er te beleven en genieten valt. En hoe gemakkelijker je ook
je ervaringen kunt benoemen en met anderen kunt delen en uitwisselen.
De grondelementen van elk verhaal vormen de personages, gebeurtenissen,
het vertelperspectief en de tijd en ruimte.
De narratologie → basisbegrippen uit de verhaaltheorie.
Deze begrippen heb je nodig om kritisch over verhalen te kunnen praten. Ze
helpen je inzicht te krijgen in hoe verhalen in elkaar zitten en welke effecten
bepaalde verteltechnieken hebben.
Personages: Een verhaal heeft één of meer hoofdpersonen en diverse
bijfiguren.
Bijfiguren → hebben vaak een dienende rol, hun karakters worden nauwelijks
uitgewerkt. Ook wel flat characters genoemd.
Hoofdpersonen → zijn complete karakters die in de loop van het verhaal een
ontwikkeling doormaken. In de wat langere verhalen en romans hebben
personages een verleden en relaties. Dat maakt ze tot complete,
geloofwaardige mensen, oftewel round characters.
Schrijvers karakteriseren hun personages expliciet of impliciet.
Expliciet → De verteller geeft direct informatie over het karakter (telling).
Impliciet → De lezer ontdekt zelf het karakter van het personage (showing).
Gebeuren:
Plot: de gebeurtenissen in een verhaal.
Veel verhalen, waaronder ook films, hebben dezelfde verhaalstructuur.
De verhaalstructuur: er is iemand die naar een bepaald doel streeft, hierbij
wordt tegengewerkt door iets of iemand en wordt geholpen door iets of
iemand. Die iets kan ook een karaktereigenschap of mening van de
hoofdpersoon zijn.
Chronologisch verhaal: Worden de gebeurtenissen in de volgorde verteld
waarin ze zich hebben afgespeeld.
Niet-chronologisch verhaal: de tekst wordt niet in de goede volgorde van tijd
verteld. Je leest dan over dingen die eerder zijn gebeurd dan wat je op dat
moment leest.
Terugblikken en vooruitwijzingen worden bij een niet-chronologisch verhaal
gebruikt om een chronologisch verband aan te geven.
Causaliteit: het is van belang dat er een logisch verband bestaat tussen
oorzaak en gevolg. Een verhaal is geloofwaardig als alles met alles
samenhangt.