technieken
, Monderen/pliseren: ontvellen van een tomaat.
Opdeel technieken
Ciseleren: zeer snel, even dunne plakjes snijden
Hakken: op hakkende wijzen kleiner maken van droge producten
Snijden van brunoise: snijden van blokjes. Blokjes moeten gelijk zijn
Snijden van chinoise: Snijden in een ruitvorm.
Snijden van julienne: Snijden in reepjes.
Koud voorbewerken
Bloemen: is goed voor: beter plakken van ei bij paneren, bescherming
en extra binding aan de saus.
Canneleren: mooi maken van producten. Mooiste resultaat wanneer
de stukjes (canaaltjes) even groot zijn. Vaak voor de schil
(bijvoorbeeld komkommer, courgette en citrus)
Cutteren: fijnsnijden van rauwe of gare producten in een
keukenmachine
Doorwrijven: producten door een zeef wrijven. Doe je om harde
stukje of pitjes eruit te halen of producten gladder te maken.
(appelmoes)
Kneden: Bewerken van deeg met je handen. Daardoor wordt het
glutennetwerk sterker en er komt lucht in het deeg.
Marineren: smakelijk vloeistof aan product toevoegen. Meestal vlees
of vis. Goed voor: op smaak te brengen, vlees malser te maken of
bereidingstijd te verkorten
Mengen: 2 of meer producten bij elkaar voegen
Paneren: droog laagje aanbrengen rondom een product. Hierdoor
krijg je een krokante korst en je beschermt het product tegen hoog
bak temperaturen.
Passeren: vloeistof door een zeef met een passeer doek laten lopen.
Hierdoor wordt het gefilterd. Meest toegepast bij bouillons.
Pureren: drogen of vochtige producten tot een puree maken. Altijd
met een pureeknijper.
Roeren: met een spatel of garde ingrediënten doorroeren. Dit doe je
om iets te vermengen of om te voorkomen dat iets aanbrand.