Boek: Laat maar zien
Van belang bij leermiddelen:
- Ze zijn aantrekkelijk en uitnodigend om te zien
- Ze zijn duurzaam
- Ze zijn eenduidig en gericht op dat wat geleerd moet worden
- De leerling kan er na aanbieding zelfstandig mee aan het werk
- Indien mogelijk: ze zijn zelfcorrigerend.
Aantal voorbeelden van leermiddelen:
- Parenwerkje; 2 groepen kaartjes met afbeeldingen/tekst die je mengt. Leerling legt steeds 2
kaarten bij elkaar zoals koe-kalfje, paard-veulen. Dit kan ook met beeldaspecten of technieken.
- Reekswerkje; bijv. een toonwaardenladder waarvan je stukjes losknipt. Leerling gaat stukjes van
licht naar donker in een opeenvolgende reeks leggen(kan licht-donker, fijn-grof, klein-groot)
- Sorteerwerkje; uit groep kaartjes met afbeeldingen, worden groepjes gesorteerd.
- Vraag en antwoord kaart(jes); een kaart met enkele vragen (vaak vanuit kijkwijzer
geformuleerd) die leerlingen schriftelijk beantwoorden. Kijken zelf na met antwoordkaart.
- Spel; wat je alleen kan spelen. Bijv. een kubusblokkenpuzzel of een game. Waar je samen mee
kunt spelen, bijv. een bordspel, kwartetspel, quiz, game etc.
- Digitale leermiddelen zoals apps en spelletjes kunnen ook vaak. Let er wel op dat de juiste
zintuigen ingeschakeld kunnen worden. Een textuur kun je voelen, maar niet op een scherm.
Hoofdstuk 5: oriënteren
Fasen van een beeldende vorming les (vaste volgorde)
1. Oriëntatie
Enthousiasmeren, motiveren en informeren.
2. Introductie
Kinderen betrekken, een houvast geven en een associatief netwerk openen
3. Informeren
Zoomt in op beeldaspecten en geeft ze alternatieven en beeldbeschouwing
4. Instrueren
Een reeks heldere instructies, de materiaaltechnische instructie en het activeren v/h interne
referentiekader.
Nadat je voorbereiding in orde is, komt de oriëntatiefase. Dit is een intensieve lesfase, je wil
kinderen gemotiveerd en goed geïnformeerd beeldend aan het werk krijgen.
Tijdens deze fase leren de leerlingen dat ze referentiekaders kunnen gebruiken.
- Interne referentiekader; (zelf bepalen hoe werkstuk eruit komt te zien)
Het persoonlijke perspectief dat kinderen ontwikkelen en waar tijdens het vormgeven beroep
op wordt gedaan: persoonlijke zienswijze, attitude, karakter en voorkeuren.
- Externe referentiekader; (ze opereren naar richtlijnen die door leerdoelen zijn bepaald)
Dit biedt de leerlingen duidelijkheid en inzichten over de mogelijkheden voor het
vormgevingsproces. Het biedt informatie en alternatieven waaruit kinderen kunnen kiezen om
tot eigen verbeelding te komen. Het externe referentiekader is dus de leerstof en omvat
keuzemogelijkheden op het gebied van productcomponenten: betekenis, vorm en materiaal.
Als leerkracht zet je de oriëntatie in drie i’s: inspireren, informeren en instrueren. Deze drie i’s
vloeien in de praktijk naadloos in elkaar over.
, Betekenis: inspireren en aanzetten om een keuze te maken uit het web van betrokken
betekenissen. Mogelijke antwoorden op vragen zoals, wat ga ik maken? Wat vind ik ervan?
Vorm: informeren over de betrokken beeldaspecten. Mogelijke antwoorden op vragen zoals,
hoe wil ik het vertellen? Hoe moet het eruit zien? Waar leg ik de accenten?
Materiaal: instrueren over mogelijkheden bij het gebruik van materiaal en gereedschap.
Mogelijke antwoorden op vragen zoals, waarmee kan ik het maken? Waarmee kan ik het
vervormen en aanpassen aan mijn ideeën en wensen?
Een ‘introductie’ moet de kinderen ‘betrekken’, houvast bieden bij betekenisgeving (het
onderwerp moet concreet worden gemaakt) en een associatief netwerk (woordspin) openen.
Kun je een methodeles klakkeloos overnemen en geven in jouw groep?
Nee, je moet de les ombuigen naar de beginsituatie van je groep en vaak is de introductie niet zo
pakkend als dat hij zou kunnen.
Aantal voorbeelden van introductie:
- Beeldend verhaal
- Aansluiten bij drama
- Afbeelding of voorwerp
- De omgeving
- Presentatie op het digitale schoolbord
- Internet en computer i/d klas
- Visualiseren/inbeelden (ogen sluiten en leraar vertelt een gedicht/verhaal fantasiewereld)
Tijdens de ‘informatiefase’ geeft de leerkracht visuele informatie over beeldaspecten en de
verschijningsvormen van het onderwerp.
Zien, het bewust waarnemen, is noodzakelijk om tot vormgeven te komen. Die visuele informatie
moet kort, krachtig, helder en interactief zijn.
‘Leren kijken’ is een belangrijk doel van beeldend onderwijs= beeldbeschouwing. Kan d.m.v.
een kijkwijzer, dan heb je een houvast welke vragen je kunt stellen.
Let wel op: dat je in de informatiefase niet een uur lang beeldbeschouwing inplant, het is de
bedoeling dat deze fase redelijk snel gaat.
Bij het ‘instrueren’ maak je selectief een keuze welke instructies absoluut noodzakelijk zijn en
welke je ook tijdens het werkproces kunt geven.
Een goed geformuleerde opdracht:
- Omschrijft de keuzevrijheid bij invulling van het onderwerp (eigen betekenis)
- Omschrijft de beeldende aspecten (vorm)
- De materiaaltechnische handelingen (materiaal)
De fasen van de beeldende vorming les kunnen ook variëren. Bijv. door he enthousiasme
verdwijnt je oriëntiefase en zet je de kinderen z.s.m. aan het werk. Het vergt wel discipline van
leerlingen om tussendoor de aandacht te hebben voor instructies en dergelijke.