Deel 1: Cellen
Als er iets mis is met de tanden, of zelfs met het lichaam, kun je dit zien in de mond. Dit
begint allemaal met cellen. De levende weefsels bestaan uit cellen.
Het gaat niet alleen om de tanden. Kijk ook verder naar de andere onderdelen van de mond.
Zoals het parodontium.
- Wat voor soort cellen zitten in het parodontium?
- Wat zijn de functies van deze cellen?
Eiwitsynthese:
DNA = bouwtekening voor eiwitten, ligt in de celkern
RNA = kopie van bouwtekening
Ribosoom = aflezer van de bouwtekening en bouwt eiwit
ER = de vouwer van het eiwit tot een bepaalde vorm
Golgi = sorteersysteem (sorteercentrum), dient voor transport. Hier krijgt het ongeveer zijn
eigen oorspronkelijke vorm. Want er worden nog wat andere groepen aan gezet.
Celskelet = eiwit wordt via dit organel vervoerd naar plaats van bestemming
Cel zit propvol met eiwitten en organellen;
Kern: DNA is omgeven met een dubbelmembraan. Dit dubbelmembraan gaat over in het ER.
In dit membraan zitten poriën om de informatie te vervoeren.
In de nucleolus in de celkern wordt rRNA gemaakt. (Dit is de meest donkere vlek centraal in
de celkern). DNA is soms donker en soms licht. Het DNA is donker als het is opgerold;
wanneer het niet wordt gekopieerd. Als het DNA licht is, wordt het uitgerold en wordt het
gekopieerd.
Eiwitten worden via blaasjes vervoert omdat er in het cytoplasma verschillende enzymen
liggen, of eiwitten, zodat het eiwit niet wordt aangetast.
- Exocytose = uitscheiden van eiwitten naar buiten de cel.
- Endocytose = Opnemen van eiwitten in de cel.
In mitochondriën vindt energiemaking plaats in de vorm van ATP. Bijvoorbeeld spiercellen en
eiwit makende cellen hebben veel mitochondriën nodig. Dit omdat wanneer er meer
mitochondriën in bepaalde cellen zitten, wordt meer energie geproduceerd want daar is dan
veel energie nodig. Ook zenuwcellen hebben dat nodig, voor de puls overdraging.
Mitochondriën zitten niet op een standaard plek in de cel, maar zitten er kriskras.
Celskelet
Kunnen wandelen in en trekken aan een omgeving.
- Actine zit op het membraan van deze cel: ook wel een microfilament. Zorgt voor beweging
en samentrekken.
- Intermediair filament zorgt voor stevigheid van de cel. Zit net na het membraan in de cel.
- Microtubule zorgt voor intracellulair transport en voor celdeling.