Hoofdstuk 1: 1.2 en 1.3 het bio psychosociale model
Bio psychosociale denkers verzetten zich tegen een eenzijdig biomedisch ziekte model in de
psychiatrie. Dit kan namelijk leiden tot een onpersoonlijk en zelf ineffectief behandelklimaat
waarin de echte belangen van de patiënt niet meer aan bod komen.
De 3 invalshoeken van de psychiatrie wordt gecombineerd. Er wordt scherp onderscheidt
gemaakt tussen:
- Classificatie: onderbrengen van de individuele patiënt bij een groep op basis van en
aantal gedeelde kenmerken en afziet van relatief unieke, niet-gedeelde kenmerken.
- Diagnosticeren: zoveel mogelijk doorgronden van de aard en het ontstaan.
Bio psychosociale model als systeemtheorie.
Elk systeem is niet alleen opgebouwd uit subsystemen, maar kan zelf ook een subsysteem
worden in een hogere orde. Systeemniveaus volgens Engel: = systeemhiërarchie
Biosfeer
Maatschappij
Cultuur, subcultuur
Gemeenschap
Familie
2 personen
Persoon beleving en gedrag
Zenuwstelsel
Organen, orgaansystemen
Weefsels
Cellen
Organellen
Moleculen
Atomen
subatomaire deeltjes
Op elk niveau ontstaan nieuwe eigenschappen met het bio psychosociale model in zijn hoofd
krijgt men een volledig inzicht in de keten van gebeurtenissen die aan de ziekte vooraf gaan
of erop volgen.
Het systeemdenken in de vorm van het bio psychosociale model leidt niet altijd tot kennis, er
moet ook onderzoek worden gedaan.
Diagnostiek is een proces (3 stappen):
1. Informatie verzameling
2. Classificatie
3. Structuurdiagnose
Hoofdstuk 4 Angststoornissen en obsessieve – compulsieve stoornissen
Tot en met 4.7.3
Angst is een normale reactie op een angstopwekkende prikkel, het is een emotie. Deze
worden gekenmerkt door specifieke gedachten en gevoelens, lichamelijke verschijnselen en
gedragingen.
Pathologische angst is wanneer er na een angstprikkel er een ongewoon heftige of
langdurige angst ontstaat, of angst zonder dat een angstprikkel aanwezig is.
, Angststoornissen zijn psychiatrische aandoeningen waarbij pathologische angst een
belangrijk symptoom is.
Angststoornissen in 3 groepen volgens de DSM:
- Angststoornissen
o Paniekstoornis en agorafobie plotseling opkomende aanvallen van angst die
gepaard gaan met een scala van lichamelijke verschijnselen. Een
paniekaanval komt zeer plotseling op, bereikt het hoogtepunt binnen 10
minuten en neemt geleidelijk in hevigheid af. Er kan vermijdingsgedrag
ontstaan, waarbij situaties waarin een paniekaanval zou kunnen optreden
worden vermeden. Dit is angorafobie. Het kan erg sterk wisselen in hevigheid.
o Sociale angststoornis betrokkene is bevreesd om zichzelf in allerlei sociale
situaties belachelijk te maken, kritiek te krijgen van anderen of niet goed aan
de eisen kunnen voldoen die een situatie stelt. Is bang om te gaan blozen,
transpireren of trillen en is bang dat nadere dit kunnen zien en er negatief
oordeel over hebben.
o Gegeneraliseerde angststoornis voornaamste kenmerken het zich
overmatig zorgen maken over een aantal gebeurtenissen en activiteiten,
zonder dat daar aanleiding voor bestaat, samen met chronische angst en
zenuwachtigheid.
o Specifieke fobie: een extreme en aanhoudende angst voor en vermijding van
bepaalde objecten en situaties zijn kenmerkend.
- Obsessieve – compulsieve stoornissen
- Verwante stoornissen
De comorbiditeit van angststoornissen met andere psychiatrische aandoeningen is hoog.
Mensen met een angststoornis hebben een slechtere kwaliteit van leven. Angststoornissen
behoren tot de chronische aandoeningen waarbij weinig spontaan herstel optreed.
Factoren die een rol spelen bij het ontstaan:
- Erfelijke factoren
- Temperament
- Psychologische factoren, opvoeding
- Levensgebeurtenissen
- Neurobiologische factoren
Iedere behandeling begint bij psycho-educatie:
- Stoornis benoemen
- Uitleg geven over de verschijnselen
- Uitleg geven over voorkomen van de aandoening
- Etiologische en pathologische factoren
- Vaak irrationele gedachten van de patiënt
Na enige tijd worden de klachten opnieuw geëvalueerd. Indien nodig wordt de patiënt
verwezen een instelling. In het algemeen bestaat de behandeling (meestal gedragstherapie)
en/of medicatie.
Medicatie:
1e Stap is antidepressivum, en wel een van de specifieke serotonineheropnameremmers
(SSRI).
In het begin van de behandeling kan de angst toenemen, hierom wordt er gestart met een
lage dosering. Wanneer de SSRI’s onvoldoende werkzaam zijn, kan worden gekozen voor
een tricyclisch antidepressivum (TCA). Wanneer dit ook onvoldoende is kan gekozen worden
voor een klassieke monoamineoxidaseremmer (MAO-remmer of een benzodiazepine. Bij alle
antidepressiva geldt dat bij acuut staken er zogenoemde onthoudingsverschijnselen kunnen
optreden.
Psychologische behandeling: Cognitieve gedragstherapie (CGT)