Communicatie: het proces waarbij de zender de intentie heeft een boodschap over te
brengen naar één of meer ontvangers.
3 visies van communicatie:
1. Eenrichtingsverkeer (zenden van boodschappen)
2. Gecontroleerd eenrichtingsverkeer (informatie overdragen/kennis, houding en
gedrag sturen)
3. Tweerichtingsverkeer (interactief proces zenden én ontvangen)
Intentionele communicatie
Non-intentionele communicatie
ZBMO-model:
Zender
Boodschap:
- Zakelijk: boodschap bevat feiten
- Expressief: boodschap toont gevoel en emotie van de zender
- Relationeel: uit boodschap blijkt hoe de relatie tussen de zender en de
ontvanger is
- Appellerend: boodschap is bedoeld om invloed op de ontvanger uit te
oefenen
Medium
Ontvanger
Feedback: zender krijgt reactie van de ontvanger
Terugkoppeling: zender reageert op de reactie van de ontvanger
Encoderen: omzetten van gedachten naar boodschap door de zender
Decoderen: omzetten van boodschap naar gedachten van ontvanger
Referentiekader: geheel van gewoonten, regels, ervaringen, normen en waarden
waarop de ontvanger zijn denken en handelen baseert
Ruis: factoren die het communicatieproces verstoren:
- Interne ruis
- Externe ruis
Redundantie: overtollige informatie:
- Functioneel
- Disfunctioneel
Verbale communicatie: schriftelijk en mondeling
Non-verbale communicatie: alle niet-talige vormen van communicatie
Vocaal-auditief Non-vocaal/Visueel
Verbaal Gesproken woord Geschreven woord
Non-verbaal Intonatie, timbre, pauze Gebarentaal, lichaamshouding, uiterlijk
Metacommunicatie: communicatie over de communicatie.
Communicatiemodaliteit: communicatiewijze die zich onderscheidt van andere vormen
van communicatie.
Informatie: communicatie met een neutraal karakter
Voorlichting: hulp bij menings- en besluitvorming
Public relations: stelselmatig bevorderen van wederzijds begrip
Reclame: overredende informatie
Propaganda: overbrengen van ideeën
Massacommunicatie: openbare, voor iedereen toegankelijke communicatie
Interpersoonlijke communicatie: er is direct contact tussen de communicerende partijen.
, Theorieën over de invloed van massacommunicatie:
1. Stimulus-responstheorie/injectienaaldtheorie
2. Two-stepflowtheorie
3. Kennisklooftheorie
4. Agendasettingtheorie (massamedia bepaalt niet wát we denken, maar waaróver
we denken)s
5. Myceliummodeltheorie
6. Uses-and-gratificationstheorie
Selectieve perceptie: iemand kan zelf bepalen welke informatie hij wil verwerken.
Selectieve retentie: niet alle informatie die een individu waarneemt en opslaat in het
geheugen is op een later tijdstip voor verwerking beschikbaar.
Framing: inkaderen. Theorieën over framing gaan uit van het idee dat mensen situaties
en informatie construeren, presenteren en interpreteren aan de hand van bepaalde
kader.
Cognitieve dissonantie: ongemakkelijke spanning die wordt veroorzaakt door een
handeling die in strijd is met iemands positieve zelfbeeld.
Balanstheorie: individuen trachten inconsequenties in hun houding te vermijden en
daarom streven naar evenwicht en consistentie in hun attitudes.