kies bij elk item het best passende antwoord, op basis van de theorie
1 Bij psychologie van de arbeid is het volgende perspectief dominant:
o Het cognitieve perspectief
o Het humanistische perspectief
o Het socioculturele perspectief
o Geen van deze perspectieven is dominant, ze worden allemaal gebruikt
2 Eén van de zes vragen die je jezelf moet stellen bij kritisch denken is: kan de conclusie door
bias zijn beïnvloed? Hoe noem je de bias waarbij mensen de neiging hebben zich
gebeurtenissen te herinneren de onze bestaande aannamen bevestigen en tegenstrijdige
bewijzen te negeren?
o De confirmation bias
o Emotionele bias
o De denial bias
o De attributie bias
3 Neurale impulsen ontstaan omdat:
o De zintuigen de stimuli omzetten in de taal van het zenuwstelsel
o De sensaties door de zintuigen worden omgezet in signalen van het zenuwstelsel
o De hersenen elektrochemische signalen aan de synapsen afstaan
o De percepties van de hersenen worden getoetst door aan de realiteit door de zintuigen
4 De wet van Weber luidt:
o De grootte van het juist waarneembare verschil hangt omgekeerd proportioneel samen
met de intensiteit van de stimulus
o De grootte van het juist waarneembare verschil hangt proportioneel samen met de
intensiteit van de stimulus
o De grootte van het juist waarneembare verschil hangt disproportioneel samen met de
intensiteit van de stimulus
5 Met op leren gebaseerde inferentie wordt bedoeld:
o Dat we bij voorkeur het eenvoudigste patroon waarnemen, het patroon dat ons de
minste cognitieve inspanning kost
o Dat we binnenkomende stimuli, tot betekenisvolle perceptuele patronen organiseren
, o Het mechanisme van sluiting: grenzen die niet in de stimulus voorkomen, worden door
de waarnemer ingevuld
o Dat een waarnemer eerder opgedane kennis over de omgeving gebruikt bij het
interpreteren van nieuwe sensorische informatie
6 Een stagiair van de opleiding HRM krijgt subtiele negatieve reacties (fronsen, opgetrokken
wenkbrouw, afgewende blik) van de stagebegeleider na het stellen van kritische vragen over
het bestaande beleid. De stagiair gaat steeds minder kritische vragen te stellen. Dit is een
voorbeeld van
o Operante conditionering met positieve straf
o Operante conditionering met negatieve straf
o Leren door middel van modelling
o Cognitief leren op grond van een relevante ander
7 Een jongen zit in groep 3 bij een strenge m1eester met een harde stem. De harde stem
leverde spanning op bij de jongen.
Als volwassen man solliciteert hij voor een nieuwe baan. De HR-manager die het gesprek leidt
heeft dezelfde soort harde stem. De man voelt zich bij het horen van de stem meteen
gespannen. Dit is een voorbeeld van:
o Sociaal leren
o Cognitief leren
o Klassieke conditionering
o Operante conditionering
7 In Bandura’s experiment met de opblaasclown werd agressief gedrag opgeroepen door:
o Een pijnlijke stimulus
o Beledigingen
o Leren door observatie
o Negatieve bekrachtiging