H25; Persoonlijkheidsstoornissen
Persoonlijkheidsstoornissen kunnen samen gevat worden in:
Pathologisch (afwijkend): er moet sprake zijn van een patroon van innerlijke ervaringen en
gedragingen dat sterk afwijkt van de verwachtingen en normen binnen de cultuur van het
individu. Dit patroon kan zich uiten in cognities, affect, interpersoonlijk functioneren en/of
impulscontrole. Bovendien moet dit patroon significante stress en lijden veroorzaken op sociaal,
beroepsmatig en andere gebieden van functioneren.
Pervasief (op meerdere gebieden): het patroon uit zich in meerdere situaties van het leven,
zowel persoonlijk als sociaal.
Persistent (langdurend): het patroon moet stabiel en van lange duur zijn, en voor het eerst
gezien tijdens de adolescentie of vroege volwassenen. Verder moet worden uitgesloten dat het
patroon van persoonlijkheidstrekken eerder toe te schrijven is aan een andere psychische
stoornis, of het gevolg is van het gebruik van medicatie of drugs, of een andere medische
toestand voordat een persoonlijkheidsdiagnose gesteld mag worden volgends de DSM-5.
Polythetisch classificatiesysteem: cliënt met specifieke persoonlijkheidsstoornis, een diagnose geven
bij een bepaald minimum aantal criteria van dit prototype.
Bio-psychosociaal model: hierbij wordt uitgegaan van psychologische, sociale en biologische
factoren om een stoornis vast te stellen. Dit model is constant op elkaar grijpend systeem, het
beïnvloedt voortdurend het ander. De DMS gaat uit van een cut-off score en dit zorgt ervoor dat er een
dichotomie (aan- of afwezig zijn van een symptoom of stoornis) uitspraak wordt gedaan. Houdt dus
weinig tot geen rekening met omstandigheden, past in het medisch model en impliceert dat er een
duidelijk grens bestaat tussen normaal en abnormaal.
Persoonlijkheidsstoornissen:
Cluster A: vreemd en excentriek.
Paranoïde-persoonlijkheidsstoornis: een overheersend wantrouwen tegenover anderen mensen, dat al
op jongvolwassen leeftijd aanwezig is en tot uitkomt komt in minstens vier van de volgende
kenmerken:
1) Verdenkt anderen ervan dat ze hem bedriegen of uitbuiten
2) Obsessieve twijfels over de loyaliteit of betrouwbaarheid van naasten
3) Wil anderen niet in vertrouwen nemen vanwege de angst dat dit tegen hem gebruikt zal worden
4) Geeft negatieve betekenis aan onschuldige opmerkingen of gebeurtenissen
5) Is niet vergevingsgezind
6) Ziet iets vaak als een aanval op zijn karakter of reputatie (terwijl anderen dit niet zien) en gaat in
de tegenaanval
7) Zonder reden, aanhoudende twijfel over de trouw van de partner
Schizoïde-persoonlijkheidsstoornis; een overheersend patroon van afstandelijkheid en beperkte
expressie van emoties in uiteenlopende sociale interacties, dat al op jongvolwassen leeftijd aanwezig is
en tot uitkomt komt in minstens vier van de volgende kenmerken:
1) Geen behoefte aan hechte relaties en geniet daar ook niet van
2) Kiest vrijwel altijd voor solistische activiteiten
3) Weinig belangstelling voor seksuele ervaringen met een partner
4) Weinig plezier in (sociale) activiteiten
5) Geen hechte vriendschappen buiten de naaste familie
, 6) Onverschillig voor lof of kritiek
7) Emotioneel kil of weinig effectief
Schizo typische-persoonlijkheidsstoornis: een overheersend patroon van sociale en interpersoonlijke
tekortkomingen, dat al aanwezig is op jongvolwassen leeftijd en wordt gekenmerkt door het moeilijk
aangaan van hechte relaties, vreemde denkbeelden en excentriek gedrag, en tot uiting komt in
minstens vijf van de volgende kenmerken:
1) Betrekkingsideeën (toevallige gebeurtenissen op zichzelf betrekken)
2) Magische denkbeelden met invloed op het gedrag
3) Vreemde waarnemingservaringen (vreemde dingen zien, horen, voelen, ruiken)
4) Achterdochtig, paranoïde gedachten
5) Inadequaat affect (van hak op de tak springen)
6) Excentrieke, vaak paranoïde sociale angst die niet vermindert wanneer men iemand beter kent.
Cluster B: impulsief, dramatisch en emotioneel. Voornaamste kenmerken zijn impulscontrole en
emotieregulatie.
Antisociale-persoonlijkheidsstoornis: een overheersend patroon van respectloos gedrag en schending
van de rechten van anderen, dat aanwezig is vanaf de leeftijd van 15 jaar en tot uiting komt in
minstens drie van de volgende kenmerken:
1) Herhaaldelijk zijn aangehouden voor het overtreden van de wet
2) Liegen of duperen van anderen voor eigen voordeel
3) Impulsiviteit of niet kunnen plannen
4) Herhaaldelijke vechtpartijen of geweldplegingen
5) Roekeloos gedrag
6) Continu onverantwoordelijk gedrag vertonen, herhaaldelijk niet nakomen van verplichtingen
7) Onverschilligheid voor de gevolgen van zijn daden voor een ander, ontbreken van berouw
Borderline-persoonlijkheidsstoornis: een overheersend patroon van instabiele interpersoonlijke relaties
en gevoelens, een onevenwichtig zelfbeeld en duidelijk impulsiviteit, dat al op jongvolwassen leeftijd
opkomt en tot uiting komt in minstens vijf van de volgende kernmerken:
1) Felle pogingen om (ingebeelde) verlating te voorkomen (dit heeft geen betrekking op suïcidale
gedragingen of zelfverwonding)
2) Patroon van intense, maar instabiele interpersoonlijke relaties, waarbij men de ander
afwisselend idealiseert en devalueert
3) Een duidelijk en aanhoudend instabiel zelfbeeld
4) Impulsiviteit, die potentieel schade kan aanrichten (dit heeft geen betrekking op suïcidale
gedragingen of zelfverwonding)
5) Herhaaldelijk vertonen van of dreiging met suïcidaal gedraging of zelfverwonding
6) Forse stemmingswisselingen
7) Gevoel van leegte
8) Moeite met het beheersen van soms intense woede
9) Periode met paranoïde ideeën of dissociatieve symptomen
Histrionische-persoonlijkheidsstoornis: een overheersend patroon van extreem emotioneel gedrag en
aandacht vragen, dat al op jongvolwassen leeftijd aanwezig is en tot uiting komt in minstens vijf van
de volgende kenmerken:
1) Voelt zich ongemakkelijk wanneer hij/zij niet in het centrum van de aandacht staat
2) Vertoont vaak ongepast flirterig of provocerend gedrag
3) Snel wisselende en oppervlakkige emoties
4) Probeert continu aandacht te krijgen middels het eigen uiterlijk
5) Uitzonderlijk impressionistische manier van spreken
Persoonlijkheidsstoornissen kunnen samen gevat worden in:
Pathologisch (afwijkend): er moet sprake zijn van een patroon van innerlijke ervaringen en
gedragingen dat sterk afwijkt van de verwachtingen en normen binnen de cultuur van het
individu. Dit patroon kan zich uiten in cognities, affect, interpersoonlijk functioneren en/of
impulscontrole. Bovendien moet dit patroon significante stress en lijden veroorzaken op sociaal,
beroepsmatig en andere gebieden van functioneren.
Pervasief (op meerdere gebieden): het patroon uit zich in meerdere situaties van het leven,
zowel persoonlijk als sociaal.
Persistent (langdurend): het patroon moet stabiel en van lange duur zijn, en voor het eerst
gezien tijdens de adolescentie of vroege volwassenen. Verder moet worden uitgesloten dat het
patroon van persoonlijkheidstrekken eerder toe te schrijven is aan een andere psychische
stoornis, of het gevolg is van het gebruik van medicatie of drugs, of een andere medische
toestand voordat een persoonlijkheidsdiagnose gesteld mag worden volgends de DSM-5.
Polythetisch classificatiesysteem: cliënt met specifieke persoonlijkheidsstoornis, een diagnose geven
bij een bepaald minimum aantal criteria van dit prototype.
Bio-psychosociaal model: hierbij wordt uitgegaan van psychologische, sociale en biologische
factoren om een stoornis vast te stellen. Dit model is constant op elkaar grijpend systeem, het
beïnvloedt voortdurend het ander. De DMS gaat uit van een cut-off score en dit zorgt ervoor dat er een
dichotomie (aan- of afwezig zijn van een symptoom of stoornis) uitspraak wordt gedaan. Houdt dus
weinig tot geen rekening met omstandigheden, past in het medisch model en impliceert dat er een
duidelijk grens bestaat tussen normaal en abnormaal.
Persoonlijkheidsstoornissen:
Cluster A: vreemd en excentriek.
Paranoïde-persoonlijkheidsstoornis: een overheersend wantrouwen tegenover anderen mensen, dat al
op jongvolwassen leeftijd aanwezig is en tot uitkomt komt in minstens vier van de volgende
kenmerken:
1) Verdenkt anderen ervan dat ze hem bedriegen of uitbuiten
2) Obsessieve twijfels over de loyaliteit of betrouwbaarheid van naasten
3) Wil anderen niet in vertrouwen nemen vanwege de angst dat dit tegen hem gebruikt zal worden
4) Geeft negatieve betekenis aan onschuldige opmerkingen of gebeurtenissen
5) Is niet vergevingsgezind
6) Ziet iets vaak als een aanval op zijn karakter of reputatie (terwijl anderen dit niet zien) en gaat in
de tegenaanval
7) Zonder reden, aanhoudende twijfel over de trouw van de partner
Schizoïde-persoonlijkheidsstoornis; een overheersend patroon van afstandelijkheid en beperkte
expressie van emoties in uiteenlopende sociale interacties, dat al op jongvolwassen leeftijd aanwezig is
en tot uitkomt komt in minstens vier van de volgende kenmerken:
1) Geen behoefte aan hechte relaties en geniet daar ook niet van
2) Kiest vrijwel altijd voor solistische activiteiten
3) Weinig belangstelling voor seksuele ervaringen met een partner
4) Weinig plezier in (sociale) activiteiten
5) Geen hechte vriendschappen buiten de naaste familie
, 6) Onverschillig voor lof of kritiek
7) Emotioneel kil of weinig effectief
Schizo typische-persoonlijkheidsstoornis: een overheersend patroon van sociale en interpersoonlijke
tekortkomingen, dat al aanwezig is op jongvolwassen leeftijd en wordt gekenmerkt door het moeilijk
aangaan van hechte relaties, vreemde denkbeelden en excentriek gedrag, en tot uiting komt in
minstens vijf van de volgende kenmerken:
1) Betrekkingsideeën (toevallige gebeurtenissen op zichzelf betrekken)
2) Magische denkbeelden met invloed op het gedrag
3) Vreemde waarnemingservaringen (vreemde dingen zien, horen, voelen, ruiken)
4) Achterdochtig, paranoïde gedachten
5) Inadequaat affect (van hak op de tak springen)
6) Excentrieke, vaak paranoïde sociale angst die niet vermindert wanneer men iemand beter kent.
Cluster B: impulsief, dramatisch en emotioneel. Voornaamste kenmerken zijn impulscontrole en
emotieregulatie.
Antisociale-persoonlijkheidsstoornis: een overheersend patroon van respectloos gedrag en schending
van de rechten van anderen, dat aanwezig is vanaf de leeftijd van 15 jaar en tot uiting komt in
minstens drie van de volgende kenmerken:
1) Herhaaldelijk zijn aangehouden voor het overtreden van de wet
2) Liegen of duperen van anderen voor eigen voordeel
3) Impulsiviteit of niet kunnen plannen
4) Herhaaldelijke vechtpartijen of geweldplegingen
5) Roekeloos gedrag
6) Continu onverantwoordelijk gedrag vertonen, herhaaldelijk niet nakomen van verplichtingen
7) Onverschilligheid voor de gevolgen van zijn daden voor een ander, ontbreken van berouw
Borderline-persoonlijkheidsstoornis: een overheersend patroon van instabiele interpersoonlijke relaties
en gevoelens, een onevenwichtig zelfbeeld en duidelijk impulsiviteit, dat al op jongvolwassen leeftijd
opkomt en tot uiting komt in minstens vijf van de volgende kernmerken:
1) Felle pogingen om (ingebeelde) verlating te voorkomen (dit heeft geen betrekking op suïcidale
gedragingen of zelfverwonding)
2) Patroon van intense, maar instabiele interpersoonlijke relaties, waarbij men de ander
afwisselend idealiseert en devalueert
3) Een duidelijk en aanhoudend instabiel zelfbeeld
4) Impulsiviteit, die potentieel schade kan aanrichten (dit heeft geen betrekking op suïcidale
gedragingen of zelfverwonding)
5) Herhaaldelijk vertonen van of dreiging met suïcidaal gedraging of zelfverwonding
6) Forse stemmingswisselingen
7) Gevoel van leegte
8) Moeite met het beheersen van soms intense woede
9) Periode met paranoïde ideeën of dissociatieve symptomen
Histrionische-persoonlijkheidsstoornis: een overheersend patroon van extreem emotioneel gedrag en
aandacht vragen, dat al op jongvolwassen leeftijd aanwezig is en tot uiting komt in minstens vijf van
de volgende kenmerken:
1) Voelt zich ongemakkelijk wanneer hij/zij niet in het centrum van de aandacht staat
2) Vertoont vaak ongepast flirterig of provocerend gedrag
3) Snel wisselende en oppervlakkige emoties
4) Probeert continu aandacht te krijgen middels het eigen uiterlijk
5) Uitzonderlijk impressionistische manier van spreken