1. De student kan een definiëring geven van goed stemgeluid met hulp van de vijf
stemparameters: stemkwaliteit, toonhoogte, luidheid, resonantie en prosodie.
- De parameter ‘stemkwaliteit’ is lastig te definiëren. Stemkwaliteit leer je goed herkennen
wanneer je luistert naar stemmen met een afwijkende stemkwaliteit. Dat kan
bijvoorbeeld zijn: schor, een hoorbare ruis in de stem, hees, wilde lucht of andere
oneffenheden in het stemgeluid, zoals kraakjes, geknepen en onvast (wiebelig).
De zuiverheid hangt samen met de sluiting van de stemplooien. Als de stemplooien niet
goed sluiten hoor je een ruis, de stem klinkt hees. De regelmaat betekent dat beide
stemplooien symmetrisch bewegen. Gebeurt dit niet, dan hoor je een onregelmatig
geluid, de stem klinkt schor. Een stem klinkt vloeiend als het openen en sluiten vlot op
elkaar volgt. Dat is niet het geval bij een krakerige stem.
- Toonhoogte: Een optimale spreektoonhoogte passend bij leeftijd, geslacht, stemsoort en
frequentie. Soms klinkt de stem te hoog of te laag.
- Luidheid: juiste luidheid, passend bij de situatie. Een stem klinkt soms te luid of te zacht.
- Resonantie: Een juist evenwicht tussen orale en nasale klanken, passend bij de uitspraak
van de taal. Soms klinkt een stem hypo- of hypernasaal.
- Prosodie: Een juist gebruik van melodie en accenten in een zin, passend bij de situatie.
Het kan zijn dat een persoon monotoon of met weinig accenten praat.
2. De student herkent op het gehoor kenmerken van normaal en afwijkend stemgebruik, en kan
deze kenmerken beschrijven met behulp van de stemparameters, in gangbare logopedische
termen.
3. De student kan onder woorden brengen wat een perceptieve beoordeling van de stem
inhoudt.
4. De student lokaliseert en benoemt de volgende anatomische structuren (skeletaal en
musculair) van de larynx en het aanzetstuk:
o Hyoid, cricoid, thyroid, epiglottis, arythenoiden, trachea
o m. crico-arythenoideus lateralis: glijdende beweging omhoog, mediale compressie ->
sluiten voorste 2/3 deel van de stemplooien. Als alleen deze werken krijg je een
‘posterior gap’
o m. interarythenoideus transversus en obliques: Obliquus: adductie/sluiten van de
stemplooien, arytenoiden komen dichter naar elkaar toe (1/3 achterste deel van de
stemplooien) Transversus: zit dwars en zorgt ook voor het dichter gaan van de
stemplooien (achterste 1/3 deel naar elkaar toe en aanspannen vocalis)
o m. crico-arythenoideus posterior: actief wanneer je inademt, enige spier die de
stemplooien opent. Arytenoiden uit elkaar bij samenspanning.
o m. thyreo-arythenoideus (m. vocalis):
m. vocalis = mediale interne deel
m. thyro-arytenoideus lateralis
o Thyreohyoideus membraan: membraan tussen tyroid/hyoid, tijdens het slikken beweegt
de spier mee
o Sinii Morgagni: ruimte tussen valse en ware stemplooien.
o Conus elasticus: bindweefselplaat (huid achtig) die zich uitstrekt vanaf het ligamentum
vocale over de binnenzijde van het cricoïd tot in de trachea
o Aryepiglottische plooi: tegen het strottenhoofd aan, wordt gebruikt bij medeklinker
zeggen
o Plicae ventricularis: valse stemplooien.
o Sinii periformis: ruimte naast het strottenhoofd, komt soms eten in vast te zitten
o Infrahyoidale spieren:
m. Thyrohyoideus: verkleint ruimte hyoid en tyroid