ANTWOORDEN TOETS ORGANISATIE
1. ANTWOORD:
A. Open-innovatie.
B. Outside-in-innovatie.
C. Organisatie-innovatie
D. JUIST
2. A. Outside-in-innovatie Je weet waarin je goed bent als organisatie en haalt binnen je
organisatie andere competenties of gaat samenwerkingen aan
B. Output is het eindresultaat, het geleverde product
C. JUIST
D. Klantfrictie, de klant heeft een probleem, hoe kunnen wij als professional of
organisatie daarbij helpen.
3. A.
4. A. Als de ene gedachte de andere met zich meebrengt
B. JUIST
C. Zoveel mogelijk ideeën te vinden voor een probleem of doelstelling
D. vorm van samenwerking van een groep mensen met diverse talenten en
achtergronden.
5. B.
6. A. JUIST
B. Hoeveel winst er gemaakt wordt met de middelen die erin gestoken worden
C. In hoeverre een organisatie in staat is zijn schulden af te betalen op korte termijn
D. Dat gebeurtenissen plaatsvinden als gevolg van bepaalde andere gebeurtenissen
7. D.
8. A. = waarde bepaling achteraf (wba)
B. = rapid prototyping
C. JUIST USP = Unique Selling Point
D. = repair café
9. C.
10. A.
11. D.
12. C.
13. B.
14. C
Joint-venture = als meerdere partijen samen een nieuwe onderneming opzetten ter
volbrenging van een gemeenschappelijk doel
15. D Aandelen aan toonder zijn vrij verhandelbaar en horen bij een NV (naamloze
vennootschap)
Een ZZP’er dient voor minimaal 3 opdrachtgevers per jaar te werken
1. ANTWOORD:
A. Open-innovatie.
B. Outside-in-innovatie.
C. Organisatie-innovatie
D. JUIST
2. A. Outside-in-innovatie Je weet waarin je goed bent als organisatie en haalt binnen je
organisatie andere competenties of gaat samenwerkingen aan
B. Output is het eindresultaat, het geleverde product
C. JUIST
D. Klantfrictie, de klant heeft een probleem, hoe kunnen wij als professional of
organisatie daarbij helpen.
3. A.
4. A. Als de ene gedachte de andere met zich meebrengt
B. JUIST
C. Zoveel mogelijk ideeën te vinden voor een probleem of doelstelling
D. vorm van samenwerking van een groep mensen met diverse talenten en
achtergronden.
5. B.
6. A. JUIST
B. Hoeveel winst er gemaakt wordt met de middelen die erin gestoken worden
C. In hoeverre een organisatie in staat is zijn schulden af te betalen op korte termijn
D. Dat gebeurtenissen plaatsvinden als gevolg van bepaalde andere gebeurtenissen
7. D.
8. A. = waarde bepaling achteraf (wba)
B. = rapid prototyping
C. JUIST USP = Unique Selling Point
D. = repair café
9. C.
10. A.
11. D.
12. C.
13. B.
14. C
Joint-venture = als meerdere partijen samen een nieuwe onderneming opzetten ter
volbrenging van een gemeenschappelijk doel
15. D Aandelen aan toonder zijn vrij verhandelbaar en horen bij een NV (naamloze
vennootschap)
Een ZZP’er dient voor minimaal 3 opdrachtgevers per jaar te werken