Week 1:
Sociale cohesie (hoe gaan mensen met elkaar om)
Sociale ongelijkheid
Modernisering/rationalisering
Sociologie bestudeert menselijke betrekkingen en de gevolgen daarvan (maatschappelijke
vraagstukken)
Op groepsniveau
- Ideologiekritiek: Sociologie kijkt naar bestaande machtsverhoudingen
- Beheersfunctie: inzicht in gedrag in samenlevingsverbanden levert kennis op voor het
besturen van de samenleving
- Ordenende functie: samenhang in onoverzichtelijke werkelijkheid
Wanneer is iets een sociologisch probleem? (Kees Schuyt)
Criteria:
- Aanzienlijk aantal ‘getroffenen’;
- Persoonlijk ‘letsel’ van die getroffenen;
- Hangt samen met andere problemen;
- Probleem is structureel en van lange duur;
- Bovenpersoonlijke oorzaken;
- Gaat tegen serieuze waarden in
Drie hoofdvragen
- Cohesie (Emile Durkheim)
- Ongelijkheid (Karl Marx)
- Rationalisering (Max Weber)
Week 2:
Verschillende soorten van cohesie:
Interne cohesie (bonding)
- Je komt er niet makkelijk in of uit
- Grens rond de groep is heel sterk
- Kan spraken zijn van andere normen en waarden
Externe cohesie (bridging)
- Elkaar leren kennen en beter leren snappen noemen ze bridging
- Bridging is een vorm van integratie
Socialisatie:
- Familie is de eerste groep waar je bij hoort
- Socialiserende instanties (familie, school, werk, vrienden)
Nature vs nurture (Hoeveel zit er al in je en hoeveel wordt je geleerd)
Rollenconflict:
- Intern: verschillende rollen binnen een functie kan je aannemen.
- Extern: meerdere rollen waar andere normen en waarden aan zitten.
Sociale controle (geheel van reacties om de waarden en normen te handhaven):
- Positieve sancties (goedkeuring, ondersteuning, instemming)
- Negatieve sancties (straffen, afkeuring)
Rationele keuzetheorie:
Afweging van voor en nadelen kan gedrag bepalen