Leerdoelen:
- Je realiseert je het klinisch belang van de wetenschappelijke informatie in de patiëntenzorg en je
bent in staat de relevantie van het gebruik van een lichte sondeerkracht te motiveren.
- Je kent de relatie tussen de sondeerkracht en de gemeten pocketdiepte in een gezond parodontium
en is in staat hiervan een histologische dwarsdoorsnede te schetsen
• Terminologie: (pseudo)pocket, aanhechtingsverlies, recessie, botafbraak, botdefecten
• Röntgenfoto’s:
- twee bitewings om het botniveau te bekijken: kleiner dan 6 mm kies je voor horizontaal,
groter dan 6 mm verticaal.
- maar bij dieper dan 4 + aanhechtingsverlies ook verticaal om meer bot te zien!
- Soms wil je een solo hebben om referentiepunten te zetten.
• PL: lucente ruimte rondom de tand, deze kan verbreden door ontsteking of knarsen (kracht
op tand), niet te vergelijken met een pocket:
Pocket = zacht weefsel, dus niet
zichtbaar op röntgenfoto
• Botafbraak en botdefecten
kun je door 2D niet geheel
diagnosticeren op röntgen, hier
heb je ook een status voor nodig.
• Verschillende sondes
- Williams probe: de pocketsonde die wij gebruiken –
rond en taps toelopend + verschillende millimeter
verdeling. Je hebt verschillende soorten
millimeterverdelingen. De verschillende soorten geven
echt andere klinische beelden.
• Bij sonderen richt je je op pocketdiepte en mate van
aanhechtingsverlies
• Hemidesmosomen zijn ‘’noppen’’ waarmee het
bovenste deel van het tandvlees vast zit aan het
cement.
• Met sonderen moet je met een lichte handdruk
sonderen zodat het niet te ver naar onder zakt
• Heling van diepe pockets duurt minder lang dan bij
minder diepe pockets
• Als de sonde na de GC grens gaat, meet je al
aanhechtingsverlies.
• Bij meten van pockets heb je factoren die bijdragen aan de mate van aanhechtingsverlies en
de diepte van de pocket, onder te verdelen in site gerelateerde factoren en factoren
gerelateerd aan de clinicus.
- site gerelateerd: tandsteen, anatomie, mate van ontsteking
- clinicus: richting sonderen, afleesfout, sondeerdruk