2, periode 2:
Week 1: Psychiatrisch onderzoek:
Predisponerende Factoren: welke factoren maken iemand extra kwetsbaar om een psychiatrische
stoornis te ontwikkelen.
Luxerende factoren: Het gaat goed in je leven en opeens gebeurd er wat waardoor het mis gaat. Dit
is het kantelpunt. Dit is je luxerende factor. Waardoor je uit balans raakt.
en onderhoudende factoren: iemand die al psychiatrisch ziek is kan niet de kanteling weer terug
maken van ‘normaal’.
1
,Filmpje Joyce – psychose:
Predisponerende factoren: - Groot verantwoordelijkheidsgevoel.
- Jong moeder geworden.
- Droom knapte depressie.
- Echtscheiding met haar man.
- Daardoor alleenstaande moeder geworden.
Luxerende factoren: - Overlijden van eigen vader.
Onderhoudende factoren: - Moeilijk hulp vragen aan anderen.
- Persoonlijkheid:
Groot
verantwoordelijkheidsgevoel.
Doorzettingsvermogen.
Veel discipline.
- -
Psychiatrisch onderzoek:
1. Cognitieve functies:
Bewustzijn:
o Comateus, slaperig, helder.
Aandacht en concentratie:
o Hoe lang je de aandacht van iemand hebt, en hoe je die kan trekken.
Oriëntatie:
o Tijd, plaats en persoon.
Geheugen:
o Het vermogen om dingen te kunnen opnemen.
o Antrograad: nieuwe dingen aanleren.
o Retrograad: dingen die je hebt geleerd, weer terughalen. Dit kan korte en
lange termijn geheugen zijn.
o Confabulaties: onbewust zelf lege plekken invullen.
Intellectuele functies:
o Oordeel en kritiek stoornissen: kan de situatie niet goed meer beoordelen.
o Decorumverlies: Gevoel van schaamte verliezen. Bijv. Pyjama buiten lopen.
o Ziekte besef en inzicht: Besef is dat er iets niet goed is bij jezelf, en inzicht is
wat de ziekte zelf is, de oorzaak, en de behandeling
o Executieve functies: logische volgorde van het behandelen is er niet meer.
Waarneming:
2
, o Hallucinatie: waarneming, gebeurd met je zintuigen.
o Illusionaire vervalsingen: je ziet of hoort dingen wat iets anders betekent
Denken:
o Inhoud: wanen (overtuiging, je weet zeker dat iets waar is (terwijl het
eigenlijk niet zo is)
o Vorm: tempo & samenhang (onsamenhangend/niet logisch = incoherent)
2. Affectieve functies:
Stemming: hoe iemand zich voelde de afgelopen 2 weken.
Affect: uiting van emoties wat je waarneemt als onderzoeker. Bijv. huilen, lachen,
blozen, gezichtsgelaat, emotie wat niet past in die situatie.
3. Conatieve functies: gaat veel over wat je bij iemand ziet.
Psychomotoriek: geheel aan bewegen, het motorisch bewegen of helemaal stil staan
of dat iemand heel traag is.
Motivatie: hoe gemotiveerd is iemand voor de behandeling. Hangt samen met de
intellectuele functies: ziektebesef en inzicht.
Gedrag: hoe je omgaat met bepaalde situaties. Bijv. impulsief gedrag, suïcidaal
gedag, automutilatie.
o Dwanghandelingen (egodystoon = ik-vreemd, niet normaal voor hemzelf) ze
dringen zich herhaald tegen zijn wil aan hem op. Handen wassen, ze doen
het liever niet, maar het ‘moet’ wel.
o Dranghandelingen (egosyntoom = passen bij ik, handeling geeft lust,
voldoening of opluchting) wordt door de patiënt beleeft als eigen, bij hemzelf
behoren. Roken, ze hebben het gevoel dat ze het moeten doen.
Inleiding op therapie:
- Bij welk ziektebeeld is welke neurotransmitter betrokken.
- Waar in het neurotransmitter proces grijpt je medicijn aan.
Therapie: het bio psychosociaal model:
- De relatie met de behandelaar is het belangrijkste om de therapie te doen slagen.
Psychotherapieën algemeen:
- Pscyho-analytische psychotherapie.
3