Toetsdoel:
De student onderscheidt diverse pedagogische onderwijsbehoeften van leerlingen, kiest
pedagogisch-, didactisch- en organisatorisch handelen waarmee hij tegemoet komt aan deze
behoeften en ondersteunt zijn keuzes.
Lesdoel:
Je kent vier vormen van het bieden van structuur: structuur in tijd, ruimte, activiteit en persoon.
Je kent drie de uitgangspunten van die verklaringsmodellen voor autisme spectrumstoornis (ASS):
… theory of mind-theorie
… centrale coherentie-theorie
… executieve functies-theorie
, Behoefte aan structuur: leerling
met ASS
Autisme – ASS (DSM-V)
Beperkingen in de sociale communicatie en interactie
o Wederkerigheid / aanvoelen sociale situaties
o ‘onhandige’ (non)verbale communicatie
Overdreven volwassen taalgebruik
Moeite om emoties te gebruiken
Receptitief gedrag en specifieke interesses
o Beperkte interesses of extreme
o Rigide denkpatronen / routines (alles op dezelfde manier en tijd)
o Zintuigelijke prikkels (kunnen niet filteren)
Theorieën rondom ASS; om door de ogen van een leerling met autisme te kijken naar het onderwijs
dat je biedt:
Theory of Mind (TOM)
Gedachten, gevoelens en gedrag van
anderen begrijpen – de mogelijkheid om je
te kunnen verplaatsen in de ander is laag.
Centrale Coherentie (CC)
Losse delen informatie wordt niet gekoppeld
-> geen overzicht in hoofd- en bijzaken.
Executieve Functies (EF)
Organiseren en structureren van een
activiteit
Structuur
Veiligheid – overzicht – voorspelbaarheid
Structuur = duidelijkheid bieden met als doel 1) om rust en overzicht te krijgen en 2) steeds
zelfstandiger te kunnen functioneren.
Structuur in ruimte
o Werkplek:
Zitplaats
Kring
o Materialen
Waar te vinden?
Waar op te ruimen?
o Activiteiten
Waar wordt er gewerkt?
Structuur in tijd
o Dagprogramma
Planbord
Picto’s
o Tijd inzichtelijk maken
Time-timer
Begin- en eindtijd
Opruimtijd geven
o Veranderingen