Hst. 1
Rode bloedcellen → 25 biljoen
50% tot 70% van het lichaam is vloeistof
- ECF = ⅓, natrium + chloride + bicarbonaat ionen + voedingsstoffen
- ICF = ⅔, kalium + magnesium + fosfaat ionen
Bloed in bloedsomloop doorloopt het circuit 1x per minuut in rust (6x als lichaam erf actief is)
Continu mixen ECF bloedplasma en interstitiële vloeistof → homogeniteit
Membraan tussen alveoli en lumen longcapillairen = 0,4 tot 2,0 micrometer
Thyreoidstimulerend hormoon (TSH): verhoogt chemische reacties → belangrijk voor
groei, energiehuishouding en stofwisseling
Insuline: regelt glucosemetabolisme (verlaagt bloedsuikerspiegel: glucose → glycogeen)
Adrenocorticale hormonen (bijnier): regelen Na+, K+ en eiwitmetabolisme
Parathyreoide hormonen (PTH): controleren Ca2+ en fosfaat in bot
Integumentum (huid + aanhangsels) bevat 12% tot 15% van het lichaamsgewicht →
beschermt het lichaam tegen beschadigingen → grens tussen interne omgeving en
buitenwereld
Ademhalingscentrum geprikkeld bij te hoge concentratie CO2 → sneller ademen
Baroreceptoren gestimuleerd door rekking → arteriële druk te hoog → impulsen
vasomotorische centrum geïnhibeerd → verminderde activiteit hart + vasodilatatie
bloedvaten
Negatieve feedback – Positieve feedback – Feedforward controle (vertraagde neg feedback)
,Hst. 2
Cellen
- 70% tot 80% bestaat uit water
- Eiwitten = 10% tot 15% van de celmassa
- Fosfolipiden en cholesterol (oplosbaar in water) = 2% van de celmassa
- Triglyceriden = 95% van de celmassa
- Koolhydraten (in de vorm van glucose) = 1% van de celmassa (3% in spiercellen en
6% in levercellen)
Celmembraan (7,5 tot 10,0 nm dik)
- Eiwitten = 55%
- Fosfolipiden = 25%
- Cholesterol = 13%
- Andere vetten (4%)
- Koolhydraten (3%)
Lipide dubbellaag:
- Fosfolipiden: komen voornamelijk voor in lipidendubbellaag, hydrofiele kop en
hydrofobe staart → niet doorlaatbaar voor water oplosbare stoffen
- Sfingolipide: bescherming tegen schadelijke stoffen, signaaloverdracht,
aanhechtingsplek extracellulaire eiwitten (in kleinere hoeveelheid aanwezig)
- Cholesterol: bepaalt permeabiliteit wateroplosbare stoffen en controleert
vloeibaarheid membraan
Membraaneiwitten:
- Integrale eiwitten (steken hele membraan door, poriën voor wateroplosbare stoffen)
- Perifere eiwitten (aan 1 kant → enzymen/regelaars voor transport door kanalen)
Membraankoolhydraat:
- Glycocalyx (losse koolhydraatlaag, negatief geladen): komen voor met
glycoproteïnen of glycolipiden
ER: verwerken moleculen + transporteren (kan 30-40 x zo groot zijn als celmembraan)
- Ruw ER (granulair): synthese eiwitten → wel ribosomen
- Glad ER (angulair): synthese lipiden (fosfolipiden en cholesterol) → geen ribosomen
Golgi apparaat: synthese koolhydraten, die niet in ER gemaakt kunnen worden + maakt van
ruwe eiwitten (uit ER) werkende eiwitten (aanvullende verwerking van stoffen die al in ER
zijn gevormd)
- 3-5 min eiwitten in ER → 20 min eiwitten in Golgi → 1-2 uur uitgescheiden door cel
- Calcium zorgt voor exocytose
Lysosomen → blaasjes, door afbraak Golgi apparaat → hydrolasen (spijsvertering)
Peroxisomen → gevormd door zelfreplicatie → oxidasen (H2O2, waterstofperoxide vormen)
Mitochondria (krachtpatsers van cel): cristae met oxidatieve enzymen + opgeloste enzymen
→ vorming ATP → meer mitochondriën vormen wanneer cel meer ATP nodig heeft
,Cytoskelet (geeft cel stevigheid, vorm en beweeglijkheid): ectoplasma + actine
microfilamenten (7 mm) + intermediaire filamenten (8-12 mm) + microtubuli (25 mm)
Nucleus = controlecentrum cel, stuurt cel aan om te groeien, te repliceren of te sterven
- Nucleolus → maakt rRNA (wordt groter wanneer de cel eiwitten maakt)
Endocytose = proces waarbij cel stoffen van buiten het membraan opneemt
Pinocytose = opnemen van minuscule deeltjes
- Coated pits → clathrin (eiwit) → receptoren → kost calcium en ATP (uit ECF)
Fagocytose = opnemen van grote deeltjes (bacteriën, hele cellen, afstervend weefsel)
- Door weefselmacrofagen en WBC’s
- Opsonisatie (bindt antilichaam aan receptor fagocyt) → neemt deeltje mee
- Pinocytotische/fagocytotische vesikel + lysosomen → spijsverterings blaasje
- Residuaal lichaam (deeltjes die niet verteerd kunnen worden)
Bacterie dodende middelen lysosomen:
- Lysozymen: lost celwand bacterie op
- Lysoferrine: binden ijzer en andere stoffen → stoppen groei bacterie
- Zuur met Ph 5.0 → activatie hydrolase
Autolyse = verwijderen van hele cel + vormen van een nieuwe
Autofagie = afbreken verouderde organellen en grote ophopingen eiwitten → recyclen
- Autofagosomen + lysomen → autolysosomen
Mitochondriën halen energie uit voedingsstoffen → oxidatieve reacties
- Koolhydraten → glucose
- Eiwitten → aminozuren
- Vet → vetzuren
Vorming ATP
1. Glucose → pyrodruivenzuur (2 ATP), in cytoplasma
2. Pyrodruivenzuur → acetyl-CoA, in mitochondriën
3. Citroenzuurcyclus:
a. acetyl-CoA → CO2 + H2O
b. CO2 diffundeert cel uit
c. H2O (extreem reactief) koppelt aan O2 → veel energie vrij → 36 ATP
Amoeboïde voortbeweging (kruipende beweging): door WBC’s en macrofagen
- Pseudopodium aan uiteinde cel
- Chemotaxis = belangrijke initiatiefnemer
Ciliaire beweging (zweepachtige beweging): in ademhalingsstelsel en eileiders
, Hst. 4
Membraan = barrière voor watermoleculen en in water oplosbare stoffen →
eiwitmoleculen vormen alternatieve wegen
- Transporteiwitten
- Kanaaleiwitten (waterige ruimtes)
- Dragereiwitten (binden met moleculen/ionen)
Mate diffusie afhankelijk van:
- Hoeveelheid beschikbare stoffen
- Snelheid kinetische beweging
- Aantal en groottes membraanopeningen
Eenvoudige diffusie = zonder interactie met een dragereiwit (neemt proportioneel toe met
concentratie stof)
Gefaciliteerde diffusie = met interactie van dragereiwit
- Mate gefaciliteerde diffusie bereikt maximum wanneer concentratie stof toeneemt
- Glucose en aminozuren dmv gefaciliteerde diffusie
- GLUT4 (eiwitkanaal) geactiveerd door insuline → diffusie van glucose 10-20 x
vergroot
Poriën: staan altijd open
Eiwitkanalen: selectief permeabel → afhankelijk van
- Diameter
- Vorm
- Elektrische lading
- Chemische binding aan binnenkant
Kaliumkanalen: selectiviteitsfilter door → pore loops + carbonyl oxydens (interactie met K+)
Natriumkanalen: erg klein + erg negatief geladen
Nernst vergelijking: bepaalt elektrische verschil dat zorgt voor balans bij bepaald
concentratie verschil → EMF (elektromotorische kracht) = 61log (C1/C2)
Druk in capillairen is 20 mm Hg groter dan erbuiten