Hoofstuk 13: Gedrag in organisaties
Gedrag: de waarneembare handelingen die mensen uitvoeren
Organisatiegedrag: de waarneembare handelingen die mensen op het werk uitvoeren.
Voor managers zijn de volgende 6 punten belangrijk voor de effectieve uitvoering van het werk:
1. Arbeidsproductiviteit: maatstaf voor prestatie/effectiviteit
2. Verzuim: niet op het werk verschijnen
3. Verloop : (on)vrijwillig permanent vertrek
4. Burgerschap gedrag binnen organisaties: gedrag dat niet vereist is voor de functie
maar wel voor goed functioneren in het bedrijf
5. Arbeidstevredenheid: jegens het werk
6. Wangedrag op het werk: opzettelijk gedrag met negatieve gevolgen
Attitude is iemands werkhouding ten opzichte van iets. Te onderscheiden in 3 verschillende:
1. Cognitieve component: wat je weet -> kennis + feiten van iets/ iemand
2. Affectieve component: onderbuikgevoel -> gevoelens + emoties van iets/ iemand
3. Cognitieve component: intentie op een bepaalde manier handelen naar iets of iemand
Wanneer normen & waarden botsen met de opgelegde taak/verwachting ontstaat cognitieve
dissonantie. Voorbeeld: Als iemand bijvoorbeeld een broek van € 200 heeft gekocht en dat eigenlijk
zelf ook te duur vindt, zal hij naar wegen zoeken om die aankoop te rechtvaardigen. Want die broek is
wél van uitzonderlijk goede kwaliteit, of heel origineel, en een soortgelijke broek voor veel minder
geld zou nooit zo'n goede pasvorm hebben.
3 manieren om cognitieve dissonantie te beïnvloeden:
1. Beloning geven voor gewenste gedrag.
2. Belang/noodzaak van het gewenste gedrag.
3. Invloed uitoefenen.
Betrokkenheid bij het werk -> toont veel inzet, wil goede resultaten, is trots enz..
Betrokkenheid bij de organisatie -> toont veel loyaliteit, identificeert zich met het bedrijf.
Waargenomen organisatiesteun -> overtuiging van werknemer dat de baas het werk
waardeert en zorgzaam is voor de werknemer.
Persoonlijkheidstesten:
MBTI Model is een algemene persoonlijkheidstest op basis van theoretische stellingen en niet
empirisch( op basis van praktijk ervaringen). De persoon word getest op de volgende 4 dimensies:
1. Sociale interactie: extravert/introvert.
2. Voorkeur voor het verzamelen van gegevens: aftastend/ intuïtief.
3. Voorkeur voor het beslissingsproces. Gevoelig of rationeel.
4. Stijl van beslissing nemen: opmerkzaam of oordelend.
Gedrag: de waarneembare handelingen die mensen uitvoeren
Organisatiegedrag: de waarneembare handelingen die mensen op het werk uitvoeren.
Voor managers zijn de volgende 6 punten belangrijk voor de effectieve uitvoering van het werk:
1. Arbeidsproductiviteit: maatstaf voor prestatie/effectiviteit
2. Verzuim: niet op het werk verschijnen
3. Verloop : (on)vrijwillig permanent vertrek
4. Burgerschap gedrag binnen organisaties: gedrag dat niet vereist is voor de functie
maar wel voor goed functioneren in het bedrijf
5. Arbeidstevredenheid: jegens het werk
6. Wangedrag op het werk: opzettelijk gedrag met negatieve gevolgen
Attitude is iemands werkhouding ten opzichte van iets. Te onderscheiden in 3 verschillende:
1. Cognitieve component: wat je weet -> kennis + feiten van iets/ iemand
2. Affectieve component: onderbuikgevoel -> gevoelens + emoties van iets/ iemand
3. Cognitieve component: intentie op een bepaalde manier handelen naar iets of iemand
Wanneer normen & waarden botsen met de opgelegde taak/verwachting ontstaat cognitieve
dissonantie. Voorbeeld: Als iemand bijvoorbeeld een broek van € 200 heeft gekocht en dat eigenlijk
zelf ook te duur vindt, zal hij naar wegen zoeken om die aankoop te rechtvaardigen. Want die broek is
wél van uitzonderlijk goede kwaliteit, of heel origineel, en een soortgelijke broek voor veel minder
geld zou nooit zo'n goede pasvorm hebben.
3 manieren om cognitieve dissonantie te beïnvloeden:
1. Beloning geven voor gewenste gedrag.
2. Belang/noodzaak van het gewenste gedrag.
3. Invloed uitoefenen.
Betrokkenheid bij het werk -> toont veel inzet, wil goede resultaten, is trots enz..
Betrokkenheid bij de organisatie -> toont veel loyaliteit, identificeert zich met het bedrijf.
Waargenomen organisatiesteun -> overtuiging van werknemer dat de baas het werk
waardeert en zorgzaam is voor de werknemer.
Persoonlijkheidstesten:
MBTI Model is een algemene persoonlijkheidstest op basis van theoretische stellingen en niet
empirisch( op basis van praktijk ervaringen). De persoon word getest op de volgende 4 dimensies:
1. Sociale interactie: extravert/introvert.
2. Voorkeur voor het verzamelen van gegevens: aftastend/ intuïtief.
3. Voorkeur voor het beslissingsproces. Gevoelig of rationeel.
4. Stijl van beslissing nemen: opmerkzaam of oordelend.