Prothetiek
Implantaten
Administratie
herhaling anatomie
Begrippen prothetiek
- anamnese: vragenlijst waarmee men probeert achter de ziektegeschiedenis van de
patient te komen
- Edentaat: zonder tanden of kiezen
- Fibroom: goedaardig gezwel dat bestaat uit bindweefsel
- Irritatie-hyperplasie: ander woord voor fibroom
- Metastase: uitzaaiing van een kwaadaardig gezwel elders in het lichaam
- Mucosa: slijmvlies
- Partiële prothese: gedeeltelijke prothese
- Processus alveolaris: de kaakwal van onder- of bovenkaak
- Resorptie: slinken van de kaken
- Tissue conditioner: materiaal dat dient om een prothese tijdelijk op te vullen, zodat
het mondslijmvlies (mucosa) kan genezen.
- Tumoren gezwellen
- Alginaat: afdrukmateriaal op natuurlijke basis, gemaakt van zeewier
- Aniline potlood: speciaal paars potloos waarmee de grenzen van de rand voor de
individuele lepel op de afdruk kunnen worden aangetekend.
- Betande lepel: afdruklepel met hoge rand, bedoeld voor patienten die nog hun eigen
elementen hebben
- Disposable: wegwerk
- Geperforeerd: meet gaatjes
- Isofunctional: afdrumateriaal om de rand van een prothese op te bouwen
- Onbetande lepel: afdruklepel met lage rand, bedoeld voor patienten die geen tanden
en kiezen meer hebben
- Retentie: houvast
- Stents: afdrukmateriaal dat speciaal bedoeld is om de rand van een prothese af te
drukken
- Articulator: apparaat waarmee de kauwbewegingen buiten de mond kunnen worden
nagebootst
- Beetbepaling: het vinden van de goede relatie tussen onder- en bovenkaak
- Beethoogte: de afstand tussen onder- en bovenkaak bij dichtbijten
- Beetplaten: schellak platen waarop een waswal is gemaakt
- Beetvork: instrument waarmee gecontroleerd kan worden of de waswal evenwijdig
loopt met de pupillijn en het vlak van camper
- Centrale relatie: de horizontale verhouding tussen onder- en bovenkaak, voor-
achterwaarts en links-rechts
- Free way space: de afstand (2 a 3 mm) tussen de elementen van onder- en
bovenkaak in de rustpositie
- Pijlpuntregistratie: zeer nauwkeurige manier om de centrale relatie vast te legen
- Pupillijn: denkbeeldige lijn door beide oogpupillen
- Rimformer: metalen instrument waarmee je waswalle gelijkmatig kunt afsmelten
,- Vlak van Camper: denkbeeldige lijn tussen het midden van de ooropening en de
onderkant van de neus
- Abrasie: afslijting
- Crampons: koperen pinnetjes aan porseleinen frontelementen: ze dienen om het
element stevig in de kunsthars van de prothese te verankeren
- Diastemen: spleetje tussen de gebitselementen
- Esthetiek: uiterlijk
- Opstellen: het plaatsen van gebitselementen in een was prothese
- Convententionele methode: opvulmethode waarbij de protheserand wordt ingekort.
De rand wordt opnieuw gevormd en afgedrukt. De prothese dient als individuele lepel
- Functionele methode: opvulmethode waarbij de prothese wordt opgevuld met tissue-
conditioner, de conditioner dient tegelijk als afdrukmateriaal
- Overzetting: ander woord voor rebasing
- Plastisch: vervormbaar
- Raghaden: ontsteking van de mondhoeken, die ontstaat door een te lage beet
- Rebasen: opvullen van een prothese waarbij tevens alle kunsthars van de oude
prothese wordt vervangen
- Relinen: opvullen van een prothese met kunsthars, bij deze methode wordt alleen de
ruimte tussen mucoase en prothese met kunsthars opgevuld
- Immediaatlepel: afdruklepel voor een immediaatprothese, het front ziet eruit als een
betande lepel, het achterste deel ziet eruit als een obetande lepel
- Immediaatprothese: gebitsprothese die direct na de extractie van de gebitselementen
in de mond wordt geplaatst
- Raderen: het verwijderen van de kroon van de gebitselementen op het gipsmodel
- Resorptie: slinken van de kaak
- VPi: ander woord voor immediaatprothese (volledige prothese immediaat)
- Decapiteren: het afboren van de kroon van een gebitselement
- Eptihese: prothese die een deel van het uiterlijk vervangt
- Implantaten: kunstmatige tandwortels die op operatieve wijze in de kaak worden
aangebracht
- Klikgebit: prothese die vastzit op drukknopjes
- MPF: maxillo faciale prothetiek, dit specialisme houdt zich bezig met het maken van
prothese voor patienten
- Overkappingsprothese: prothese waar nog 1 of meer wortels van gebitselementen in
de kaak blijven zitten, om het slinken van de kaak tegen te gaan
- Schisispatient: patient met een spleet in de kaak, het gehemelte of de lip
- Staaf-huls: constructie waar in de prothese een huls zit, die zich vastklemt over een
staaf die tussen 2 wortelkappen loopt
- Suprastructuur: de constructie die bovenop een implantaat wordt gemaakt
- VPo: afkorting voor overkappingsprothese (volledige prothese overkapping)
- Wortelkap: gegoten metalen kapje om de bovenkant van de wortel af te dekken en
het houvast voor een prothese te vergroten
- Ankers: haakjes om gebitselementen, bedoeld om een partiële prothese stevig te
bevestigen
- Elastomeer: rubberachtig
- Frame-prothese: gedeeltelijke gebitsprothese die bestaat uit een metalen skelet,
waarop kunsthars elementen bevestigd zijn
- Klammers: haakjes om gebitselementen bedoeld om een partiele prothese stevig te
bevestigen
, - Krachtbrekend frame: frame-prothese waarbij de kauwkracht gedeeltelijk door de
mucosa en gedeeltelijk door het parodontium van de pijlerelementen wordt
opgevangen
- Linguale bar: metalen beugels achter het onderfront
- Matrix: het omsluitende(negatieve) deel van een precisie-verankering
- Parodontaal gedragen: tandheelkundige voorziening waarbij de kauwkracht wordt
opgevangen door het parodontium van de pijlerelementen
- Partiele prothese: gedeeltelijke prothese
- Patrix: het omsloten (positieve) deel van een precisie-verankering
- Plaatprothese: eenvoudige partiele prothese die bestaat uit een kunsthars plaat,
waaraan kunstelementen bevestigd zijn
- Restgebit: de elementen van het eigen gebit die nog in de mond aanwezig zijn
- Star frame: frame-prothese waarbij de kauwkracht door het parodontium van de
pijlerelementen wordt opgevangen
- Steunfossa: uitholling in het occlusale vlak van een gebitselement waarop het anker
van een frame rust
- Vrij eindigende situatie: situatie waarbij een edentaat kaakdeel slechts aan 1 zijde
door gebitselementen begrensd wordt
- Zadel: het deel van een partiele prothese waarin de kunstelementen staan opgesteld
IMPLANTATEN
- Alveolair implantaat: implantaat dat in de alveole wordt aangebracht direct na de
extractie van een element
- Alveole: tandkas waarin een element bevestigd zit
- Ankylotisch element: onbeweeglijk vastzittend element door ontbreken van het
wortelvlies
- Autoloog bot: bot dat van de patient zelf afkomstig is en wordt gebruikt voor het
implanteren
- Keramisch: materiaal dat bestaat uit chemische zuivere niet-natuurlijke grondstoffen
(vooral metaal-oxiden)
- Ligamentum parodontale: de vezels die een natuurlijk elementen bevestigen in het
kaakbot
- Mucose: het mondslijmvlies
- Permucosaal implantaat: implantaat dat door de mucosa heen komt en in de mond
zichtbaar is
- Processus alveolaris: kaakwal
- Submucosaal implantaat: implantaat dat onder de mucosa zit en dus niet in de mond
zichtbaar is
- Corticosteroiden: bijnierschorshormonen die de werking van het afweersysteem
onderdrukken
- Diabetes: suikerziekte
- Endocarditis: onsteking van de binnenwand van het hart
- Maxillo-faciale prothetiek: vak dat zich bezig houdt met het maken van protheses
voor mensen waar delen van het gezicht of de kaken verloren zijn gegaan
- Nervus alveolaris inferior: de zenuw die binnen in de onderkaak loopt
- Nervus mentalis: de zenuw die vanaf het foramen mentale buitenop de kaak naar
voor loopt
- Osteoporose: ontkalking van het bot