Samenvatting De Cel Deeltoets 1 ........................................................................................................2
Hoofdstuk 2: Chemical Components of Cells ..................................................................................2
Hoofdstuk 2: Panels ....................................................................................................................8
Hoofdstuk 3: Energy, Catalysis and Biosynthesis ..........................................................................11
Hoofdstuk 3: Panels .................................................................................................................. 15
Hoofdstuk 4: Protein Structure and Function ...............................................................................17
Hoofdstuk 4: Eiwit technieken......................................................................................................22
Hoofdstuk 4: Panels .................................................................................................................. 29
Hoofdstuk 5: DNA and Chromosomes ..........................................................................................31
Hoofdstuk 6: DNA Replication, Repair and Recombination ..........................................................37
Hoofdstuk 7: From DNA to Protein: How Cells Read the genome.................................................43
Hoofdstuk 8: Control of Gene Expression .....................................................................................50
,Samenvatting De Cel Deeltoets 1
Hoofdstuk 2: Chemical Components of Cells
Het aantal protonen in de kern bepalen de soort stof. Het aantal elektronen in de buitenste schil
(valentie-elektronen) bepaalt hoe atomen met elkaar interacteren en verbinden.
Sterke bindingen (covalente bindingen & ionbindingen)
Covalente binding = een binding die gevormd
wordt door het delen van elektronen. Covalente
bindingen zijn sterk genoeg om in de condities
binnen cellen te overleven. Covalente bindingen
kunnen polair of apolair zijn.
• Polaire covalente binding = het ene
element trekt harder aan de elektronen
dan het andere element (verschil in
elektronegativiteit), de elektronen
worden één richting op getrokken en er
ontstaat een ladingsverschil.
• Apolaire covalente binding = elementen
trekken even hard aan de elektronen, de
elektronen blijven in het midden.
Moleculen kunnen ook dubbele bindingen hebben. Structuren die dubbele bindingen kunnen
wisselen binnen het molecuul (bv in een benzeenring) zijn resonante structuren. Deze structuren zijn
stabieler dan structuren die dit niet kunnen.
De bindingssterkte van een binding staat gelijk aan de hoeveelheid energie die het kost om de
binding te verbreken. Het wordt weergegeven in kcal/mol of kJ/mol (1kcal = 4,2 kJ = 1 liter water 1
graad opwarmen).
2
,Ionbinding = een binding die gevormd wordt door het verkrijgen en verliezen van elektronen,
overdracht van elektronen. Er ontstaan kationen (verliezen elektron, positief geladen) en anionen
(verkrijgen elektron, negatief geladen). Er ontstaan zouten met kristalstructuren.
Zout kan in water oplossen; water gaat de plaats van het andere ion vervangen. De covalente binding
van water met het ion is sterker dan de ionbinding.
3
, Zwakke bindingen (waterstofbruggen, elektrostatische bindingen, vanderwaals interacties).
Waterstofbruggen = binding tussen twee watermoleculen.
De bindingen zijn het sterkst als er drie atomen in één lijn
liggen. Het zijn temperatuurgevoelige bindingen en zijn van
korte duur, ze zijn veel minder sterk dan een covalente
binding.
Een waterstofbrug kan gevormd worden tussen twee polaire
moleculen. Polaire moleculen lossen goed op in water
(hydrofiele interacties). Hydrofobe moleculen kunnen geen
interacties aan gaan met water, deze moleculen trekken in
water naar elkaar toe zodat het totale oppervlak hydrofobe
moleculen kleiner is.
Elektrostatische binding = een binding tussen een positief
geladen en een negatief geladen molecuul. Deze interacties
kunnen belangrijk zijn in enzym-substraat bindingen.
Vanderwaals binding = een hele zwakke binding, kunnen in grote getalen wel heel sterk zijn.
Cellen bevatten vier groepen van kleine organische moleculen (suikers, vetten, aminozuren en
nucleotiden).
Suikers = energiebronnen en subunits van
polysachariden. Suikers worden ingedeeld op
ketose/aldose en op het aantal C-atomen in
het molecuul.
• Ketose = dubbel gebonden zuurstof
atoom binnen in het molecuul.
• Aldose = dubbel gebonden zuurstof
atoom aan de zijkant van molecuul.
Suikers kunnen ringstructuren vormen. Op
basis hiervan zijn er alpha- en beta suikers. Een
alpha suiker heeft de OH-groep aan de
tegenovergestelde kant van de CH2OH groep
en de beta suiker heeft de OH-groep aan
dezelfde kant als de CH2OH groep.
4