Geneesmiddelen: Stoffen die bestemd zijn om te worden gebruikt of die worden aangeduid
of aanbevolen als geschikt voor:
- Genezen, lenigen of voorkomen van enige aandoening, ziekte, ziekteverschijnsel, pijn,
verwonding of gebrek bij de mens.
- Het herstellen, verbeteren of wijzigen van het functioneren van de organen bij de mens.
- Het stellen van een medische diagnose door toediening bij de mens.
Het gebruik van een geneesmiddel betekent niet altijd dat deze persoon een ziekte heeft. Dit is
bijv. ook niet het geval bij de anticonceptiepil.
1.1.1 Zelfzorg of uitsluitend recept
Een geneesmiddel mag alleen met toestemming van de overheid in de handel worden
gebracht. Voorwaarden:
- Fabrikant moet aan kunnen tonen dat het geneesmiddel werkt bij de ziekte.
- De fabrikant moet aan kunnen tonen dat het bij de aanbevolen dosering niet schadelijk is.
Als dit zo is, wordt het geneesmiddel in geschreven in het Europese register.
Uitsluitend Recept (UR): Deze geneesmiddelen mogen alleen op recept van een arts door de
apotheek worden meegegeven.
Uitsluitend Apotheek (UA): Deze geneesmiddelen mogen alleen worden verkocht als in de
apotheek gecontroleerd is of deze middelen zijn geschikt voor de klachten die mensen hebben
en of ze samen gaan met de geneesmiddelen die de patiënt gebruikt.
Uitsluitend Apotheek en Drogist (UAD).
Algemeen verkrijgbaar(AV): Deze geneesmiddelen zoals paracetamol en neussprays zijn
ook bij supermarkten te koop. Dit noemen we ook wel zelfzorgmiddelen of OTC-preparaten
(over the counter).
1.2 Naamgeving van geneesmiddelen
Ieder geneesmiddel heeft 3 namen:
- Chemische naam: Dit is de naam waaronder de chemische stof bekend is. Bijv. 2-acetoxy-
benzoëzuur bij aspirientje.
- De stofnaam of generieke naam. Dit is de naam waaronder de stof internationaal bekend is.
Van een aspirientje is de stofnaam acetylsalicylzuur.
- De merknaam, handelsnaam: Dit is de naam die de fabrikant aan de chemische stof geeft. De
naam Aspirine is de merknaam. Deze merknaam is wettelijk beschermd.
Onder de stofnaam kun je geneesmiddelen terug vinden. De huisartsen in Nederland schrijven
zo veel mogelijk voor op de stofnaam. De apotheker kan dan beslissen welk middel met deze
stof kan worden meegegeven.
Samenvatting geneesmiddelenkennis hoofdstuk 2
Behandelingsmethoden:
- Causale behandeling
- Symptomatische behandeling
- Substutiebehandeling
- Preventieve/profylactische behandeling
- Diagnostisch gebruikt
, Causale behandeling
Het geneesmiddel bestrijdt de oorzaak van de kwaal. Het bestrijdt de ziekte. Als iemand
longontsteking heeft kan dit worden bestreden met een bacteriedodend middel.
Symptomatische behandeling
Het geneesmiddel bestrijdt alleen de klachten of ziekteverschijnselen. Bijvoorbeeld bij de
griep geven we pijnstillers. Een palliatieve behandeling is voor het verlichten van het lijden.
Dit wordt alleen gebruikt bij ernstig lijden, zoals in het laatste stadium van kanker.
Substitutiebehandeling
Met een geneesmiddel wordt een stof gegeven die het lichaam normaal zelf aan maakt. Voor
deze behandeling wordt gekozen als het lichaam dit zelf niet voldoende meer doet. Het
geneesmiddel vervangt de lichaamseigen stof. Bijvoorbeeld insuline bij suikerziekte. Het gaat
ook om de stoffen die je normaal bij de voeding binnen krijgt, bijv. ijzer.
Preventieve of profylactische behandeling
Deze is erop gericht het uitbreken van een ziekte te voorkomen. Zo krijg je de griepinjectie
om te voorkomen dat je de griep krijgt.
Diagnostisch gebruik van geneesmiddelen
Deze geneesmiddelen worden gebruikt bij het stellen van een diagnose. Dit is erop gericht de
oorzaak te achterhalen en de aandoening te bepalen. Zo kan je verder behandelen. Bijv. bij
een endoscopie van het maag-darmkanaal te kunnen doen moet de maag leeg zijn. Hiervoor
gebruik je het laxeermiddel.
Toedieningsvormen en toedieningsweg
Voor elke toedieningsweg zijn verschillende toedieningsvormen:
- Lokale toediening
- Systematische toediening
Lokale toediening
Hierbij gaat het erom het geneesmiddel direct op de plaats van werking te brengen. Dit bijv.
op de huid met zalven en crèmes. Ook met inhalaties, oogdruppels, neusdruppels etc.
Voordelen:
- Het wordt direct op de plaats van werking gebracht.
- Kleinere hoeveelheid nodig.
- Kleinere kans op bijwerkingen andere lichaamsdelen.
Lokaal op huid of slijmvlies
De huid is de bekendste toedieningsweg. Heel veel aandoeningen kunnen lokaal behandeld
worden. Bij behandeling van grote huidoppervlakken of verwondingen moet er rekening
worden gehouden met de opname in het bloed. Dit kan lijden tot bijwerkingen op andere
plaatsen in het lichaam. De huid van kinderen is beter doorlaatbaar dan die van volwassen.
Slijmvliezen kunnen ook vaak lokaal behandeld worden.
- Oordruppels (otoguttae): Deze worden gebruikt voor aandoeningen in de gehoorgang.
- Oogdruppels (oculoguttae): Dit zijn oplossingen van geneesmiddelen, bestemd voor het
oog.
- Oogzalf/ ooggel(Oculentum): Dit hecht zich iets beter aan het oogslijmvlies dan
oogdruppels. Deze word als een sliertje in het onderste ooglid aangebracht. Door knipperen
met de ogen verdeelt de zalf zich over het slijmvlies. Oogzalf wordt vooral ’s nachts gebruikt,
omdat je er soms wat wazig door gaat zien.