Artikel 1: Porter
Toonaangevend. Cluster is geografische concentratie van verbonden bedrijven die onderling
concurreren maar ook samenwerken.
Concurrentie is niet meer statisch (op kosten) maar dynamisch op innovatie.
Diamond: vier verbonden concurrentiefactoren die zorgen voor economische groei
Kans: exogene factoren. Productiefactoren: infrastructuur en kennis waardoor productiviteit
verhoogt. Economische orde: Economische orde: mate van concurrentie en rivaliteit tussen bedrijven
(verhoogt productiviteit). Netwerk: aanwezigheid verticale en horizontale relaties.
Vraag: lokale vraag naar het product (kwaliteit product verhoogt). Overheid: invloed op alles
Clusters stimuleren competitie: toenemen van productiviteit, toename innovatiecapaciteit, cluster
uitbreiding door spin-offs. Allen gebaseerd op face-to-face contact.
Overheid moet kijken welke clusters versterkt kunnen worden ipv nieuwe clusters maken.
Artikel 2: Martin & Sunley
Porters idee is populair bij beleidsmakers omdat het praktisch geschreven en lijkt alsof het
toepasbaar is in ieder gebied. Past bij decentralisatie.
Beperkingen:
1. Conceptueel
- Onduidelijke grenzen gerelateerde industrie en geografische nabijheid
- Eindeloze typologie van clusters (vorm, grootte, fase)
2. Theoretisch
- In hoeverre is competitiviteit omvattend voor alle krachten die spelen
- Is een omvattende theorie genoeg, als er zoveel verschillende theorieën zijn
- Clusters zijn niet geïsoleerd, maar betrokken bij rest economisch landschap (andere bedrijven)
3. Empirisch
- Er is geen vaste methode om clusters in kaart te brengen. Vaak gebeurd dit op een te simpele
manier en zonder dat daarbij uitleg is gegeven.
Artikel 3: Newlands
Competitie en samenwerking wordt binnen verschillende theorieën bekeken. Geen tegenoverstelling
- Agglomeratietheorie (Marshall): externe economieën gebaseerd op infrastructuur en andere
services waar ieder bedrijf van profiteert (arbeid). Goedkopere commons > minder productiekosten
Toonaangevend. Cluster is geografische concentratie van verbonden bedrijven die onderling
concurreren maar ook samenwerken.
Concurrentie is niet meer statisch (op kosten) maar dynamisch op innovatie.
Diamond: vier verbonden concurrentiefactoren die zorgen voor economische groei
Kans: exogene factoren. Productiefactoren: infrastructuur en kennis waardoor productiviteit
verhoogt. Economische orde: Economische orde: mate van concurrentie en rivaliteit tussen bedrijven
(verhoogt productiviteit). Netwerk: aanwezigheid verticale en horizontale relaties.
Vraag: lokale vraag naar het product (kwaliteit product verhoogt). Overheid: invloed op alles
Clusters stimuleren competitie: toenemen van productiviteit, toename innovatiecapaciteit, cluster
uitbreiding door spin-offs. Allen gebaseerd op face-to-face contact.
Overheid moet kijken welke clusters versterkt kunnen worden ipv nieuwe clusters maken.
Artikel 2: Martin & Sunley
Porters idee is populair bij beleidsmakers omdat het praktisch geschreven en lijkt alsof het
toepasbaar is in ieder gebied. Past bij decentralisatie.
Beperkingen:
1. Conceptueel
- Onduidelijke grenzen gerelateerde industrie en geografische nabijheid
- Eindeloze typologie van clusters (vorm, grootte, fase)
2. Theoretisch
- In hoeverre is competitiviteit omvattend voor alle krachten die spelen
- Is een omvattende theorie genoeg, als er zoveel verschillende theorieën zijn
- Clusters zijn niet geïsoleerd, maar betrokken bij rest economisch landschap (andere bedrijven)
3. Empirisch
- Er is geen vaste methode om clusters in kaart te brengen. Vaak gebeurd dit op een te simpele
manier en zonder dat daarbij uitleg is gegeven.
Artikel 3: Newlands
Competitie en samenwerking wordt binnen verschillende theorieën bekeken. Geen tegenoverstelling
- Agglomeratietheorie (Marshall): externe economieën gebaseerd op infrastructuur en andere
services waar ieder bedrijf van profiteert (arbeid). Goedkopere commons > minder productiekosten